Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1271

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
17-04-2014
Zaaknummer
12-4175 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Indicatie voor voor de functies persoonlijke verzorging en begeleiding. Uit de rapporten wordt afgeleid dat appellant ten tijde van de aanvraag al was uitbehandeld. Het bestreden besluit is mitsdien niet goed gemotiveerd. De Raad heeft in de beschikbare medische gegevens en hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de omvang van de geïndiceerde zorg in de periode in geding niet juist is vastgesteld. Instandlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4175 AWBZ

Datum uitspraak: 16 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 juni 2012, 11/3406 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Centrum indicatiestelling zorg (CIZ)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. van den Os hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2014. Appellant is met bericht niet verschenen. Ciz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Koedood.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is bekend met psychiatrische problematiek en chronische pijnproblematiek. Op 11 januari 2011 heeft appellant op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) bij CIZ een indicatie aangevraagd voor de functies persoonlijke verzorging en begeleiding.

1.2.

CIZ heeft bij besluit van 18 maart 2011 appellant geïndiceerd voor de functies persoonlijke verzorging en begeleiding individueel, beide in klasse 2 (2 tot 3.9 uur per week) voor de periode van 21 februari 2011 tot 20 augustus 2011. De indicatie heeft een beperkte geldigheidsduur van zes maanden, omdat CIZ nog niet beschikt over informatie over het resultaat van behandeling(en) van appellant.

1.3.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 maart 2011 is ongegrond verklaard bij besluit van 12 juli 2011 (bestreden besluit). Hieraan heeft CIZ ten grondslag gelegd dat voorliggende behandelmogelijkheden de zorgbehoefte kunnen verminderen. CIZ gaat er onder verwijzing naar het medisch advies van 20 juni 2011 van CIZ-arts

L. Cornelissen-Houben van uit dat bij appellant sprake is van een psycho-sociale voorgeschiedenis en niet verwerkte psychische problematiek waarvoor appellant nooit behandeling heeft gehad. Er is sprake van een wisselwerking tussen de psychische en de lichamelijk ervaren problematiek. De huisarts heeft niet onderbouwd waarom naar zijn mening appellant uitbehandeld is. De maatschappelijk werkster geeft in haar brief van mei 2011 aan dat een aantal zaken, gericht op gedrags- en leefregels geen gevolg hebben gekregen en dus niet uitputtend is behandeld. Hieruit volgt dat niet alle behandelmogelijkheden zijn benut en dat niet kan worden uitgesloten dat het algeheel functioneren van appellant, zowel op psychisch, cognitief als somatisch gebied zal verbeteren met behandeling. Het toekennen van klasse 2 voor zijn persoonlijke verzorging zal appellant in staat stellen om voorlopig zijn wisselende zorgbehoefte op een basaal niveau te regelen.

1.4.

Bij in bezwaar genomen besluiten van 16 april 2012 en 29 juni 2012 heeft CIZ appellant aansluitend op de onder 1.2 genoemde periode wederom voor AWBZ-zorg geïndiceerd. GGZ-psychiater M.J.P. Vergeer heeft vervolgens, mede op verzoek van CIZ, een rapport uitgebracht over appellant, gedateerd 21 augustus 2012. Dit rapport heeft geleid tot een nader advies van 18 september 2012 van Cornelissen-Houben en een herziene beslissing op bezwaar van 31 juli 2013 van CIZ waarbij appellant voor de periode van 11 januari 2012 tot

10 januari 2027 is geïndiceerd voor de functies persoonlijke verzorging klasse 4 (7-9.9 uur per week) en begeleiding individueel in klasse 1 (0-1.9 uur per week).

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet gebleken is dat het onderzoek van CIZ naar de mate waarin appellant beperkt is en de mate waarin hij zorg in de zin van de AWBZ behoeft, onvoldoende zorgvuldig is geweest. De rechtbank deelt de conclusie van CIZ dat niet alle behandelmogelijkheden uitputtend zijn benut.

3.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Appellant heeft aangevoerd dat hij is uitbehandeld en dat er geen behandelmogelijkheden meer zijn.

4.

De Raad overweegt het volgende.

4.1.

De eerste vraag die beantwoord moet worden is of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het standpunt van CIZ juist is dat niet alle behandelmogelijkheden van appellant zijn benut. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend.

4.2.

Vergeer schrijft in zijn rapport van 21 augustus 2012 onder meer dat appellant in 2009 en 2010 uitgebreid is behandeld in Altrecht waarbij uiteindelijk is ingestoken op een care traject waarbij er niet op verandering werd ingezet, maar een handicapmodel is toegepast waarbij appellant zo goed mogelijk met bestaande beperkingen en klachten leert omgaan. Het handhaven van de huidige situatie kost appellant veel energie. Eerdere behandeling gericht op beter worden bleek onsuccesvol en deed de klachten van appellant toenemen.

4.3.

Medisch adviseur Cornelissen-Houben heeft in haar nadere rapport van

18 september 2012 de gesteldheid van appellant als volgt omschreven, waarbij voor “dhr” gelezen dient te worden “appellant”: “Aanvullend (…) kan nu gesteld worden op basis van de actuele informatie van psychiater Vergeer dat dhr als uitbehandeld is te beschouwen en dat behandeling gericht op uitbreiding of verbetering van zijn belastbaarheid wordt afgeraden. Dhr wordt niet in staat geacht verandering te kunnen brengen in zijn situatie door ontbreken van flexibiliteit en emotionele reserves. Deze inzet van behandeling zal leiden, aldus de psychiater, tot overbelasting.”

4.4.

De Raad leidt uit de onder 4.2 en 4.3 weergegeven rapporten af dat appellant ten tijde van de aanvraag van 11 januari 2011 al was uitbehandeld. Het bestreden besluit is mitsdien niet goed gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het bestreden besluit vernietigen.

4.5.

De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand kunnen blijven. Ter zake wordt het volgende overwogen.

4.6.

CIZ heeft een tijdelijke indicatie gesteld voor de duur van zes maanden, omdat informatie over het behandeltraject nog niet voorhanden was. CIZ heeft klasse 2 voor de persoonlijke verzorging van appellant toegekend teneinde hem in staat te stellen om voorlopig zijn wisselende zorgbehoefte op een basaal niveau te regelen. De functie begeleiding is met inachtneming van de actuele informatie over het behandeltraject van appellant vanaf

1 januari 2012 lager geïndiceerd, in klasse 1, zodat daaruit niet kan worden geconcludeerd dat de geïndiceerde begeleiding in klasse 2 niet voldeed. De ter zitting van de Raad namens CIZ gegeven toelichting dat de fysieke conditie van appellant in de periode na 12 juli 2011 is verslechterd acht de Raad niet onaannemelijk. De Raad heeft in de beschikbare medische gegevens en hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de omvang van de geïndiceerde zorg in de periode in geding niet juist is vastgesteld. Om die reden worden de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand gelaten.

5.

Aanleiding bestaat om CIZ te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- (2 punten) voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 487,-
(1 punt) voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 12 juli 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    veroordeelt CIZ in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.461,-;

  • -

    bepaalt dat CIZ aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en M.F. Wagner en
G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2014.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) D. Heeremans

NW