Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1270

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
17-04-2014
Zaaknummer
12-4147 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Appellant heeft niet aangegeven waarom, naar zijn mening, het oordeel van de rechtbank niet juist is. Evenmin heeft hij met nieuwe objectieve medische stukken zijn standpunt, dat hij meer beperkt is, ondersteund. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4147 WIA

Datum uitspraak: 16 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van
15 juni 2012, 11/4224 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Boon, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 5 maart 2014, waar partijen
- met bericht - niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 2 maart 2009 vanwege gewrichtsklachten uitgevallen voor zijn werk als medewerker in algemene dienst voor 36 uur per week. Op 23 november 2010 heeft appellant een uitkering ingevolge de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet Wia) aangevraagd.

1.2. Bij besluit van 6 april 2011 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 28 februari 2011 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet Wia.

1.3. Bij besluit van 22 november 2011 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen grond is voor het oordeel dat het medisch onderzoek onvolledig of onzorgvuldig is geweest. Het Uwv heeft de beschikbare medische informatie op inzichtelijke wijze in de beoordeling betrokken. Er is geen grond voor het oordeel dat de bevindingen en conclusie van de verzekeringsarts wat het vaststellen van de beperkingen van appellant betreft onvolledig of onjuist zijn. Appellant heeft geen medische verklaringen overgelegd die zijn standpunt, dat hij meer beperkt is dan verweerder heeft aangenomen, onderbouwen. Aan appellants stelling dat de diagnose chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) van toepassing is, kan de rechtbank niet de waarde toekennen die appellant daaraan gehecht wil zien, omdat deze diagnose niet is gesteld. Aan het enkele feit dat de bedrijfsarts meer beperkingen, waaronder een urenbeperking, heeft aangenomen kan evenmin de waarde worden toegekend die appellant daaraan gehecht wenst te zien. Een verzekeringsarts dient zich een eigen oordeel te vormen over de belastbaarheid van appellant in algemeen geaccepteerde arbeid. De vergelijking met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2009:BQ4675 gaat niet op. Dat appellant meer beperkingen ervaart, is immers iets anders dan dat een verzekeringsarts een stoornis op een bepaald aspect constateert, doch op dit aspect geen beperking aanneemt. De rechtbank overweegt voorts dat de subjectieve klachtbeleving van appellant bij de toepassing van de Wet Wia geen toereikende basis kan vormen voor het oordeel dat verweerder zijn medische beperkingen heeft onderschat. Uitgaande van de juistheid van de bij appellant vastgestelde medische beperkingen ziet de rechtbank in wat appellant heeft aangevoerd geen grond voor twijfel aan de geschiktheid van de geduide functies. De signaleringen in de geduide functies zijn van een voldoende deugdelijke motivering voorzien.

Anders dan appellant heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat het Uwv deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de functie intercedent geschikt is. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen de nadere toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige naar aanleiding van het beroep, dat appellant van de onjuiste veronderstelling uitgaat dat de dagelijkse en niet dagelijkse belasting bij elkaar dienen te worden opgeteld. De rechtbank volgt appellant evenmin in zijn stelling dat hij niet in staat is ongeveer 25 treden te lopen, welke belasting voorkomt in de functie intercedent. Dit aspect bevat geen signalering en appellant is volgens de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) in staat om ten minste één trap op en af (één verdieping) te lopen. Ook op het aspect zitten is in de geduide functies inkoper food en de reservefunctie van veldtoetser geen sprake van een overschrijding. Verweerder heeft appellant terecht met ingang van 28 februari 2011 geweigerd een Wia-uitkering toe te kennen.

3.

Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat hij op de in geding zijnde datum geen duurzaam benutbare mogelijkheden had. Acht uur per week bij de eigen werkgever was het hoogst haalbare en deze acht uur kon hij naar eigen inzicht regelen. Hij is niet in staat zijn eigen huishouden te doen. Hij heeft beperkingen van energetische aard. Er dient aansluiting gezocht te worden bij het verzekeringsgeneeskundig protocol van de Gezondheidsraad omtrent CVS. Daarin staat dat vermoeidheidsklachten aanleiding kunnen geven tot een situatie van volledige arbeidsongeschiktheid. Hoewel bij appellant geen CVS is gediagnostiseerd, dient het protocol wel analoog toegepast te worden. Appellant acht de FML niet juist. Op verschillende aspecten is de belastbaarheid te optimistisch ingeschat. Dit geldt voor repeterende handelingen, toetsenbord/muis bedienen, buigen en zitten. Daarnaast had er een urenbeperking opgenomen moeten worden. Het Uwv heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de door appellant naar voren gebrachte beperkingen niet meegenomen worden. Appellant verwijst naar de uitspraak van de Raad genoemd onder 2. Deze uitspraak komt er op neer dat indien het Uwv beperkingen aanneemt, terwijl een concreet ziektebeeld ontbreekt, andere geclaimde beperkingen niet zo maar van tafel kunnen worden geveegd.

Voorts kan appellant de geduide functies niet verrichten. In de functie intercedent
(SBC-code 763100) zijn overschrijdingen op de onderdelen toetsenbord/muis bedienen en trappenlopen. In de functies inkoper food (SBC-code 516150) en veldtoetser
(SBC-code 532030) is een overschrijding van de belastbaarheid op het onderdeel zitten.

4.1.

De Raad overweegt als volgt.

4.2.

De Raad stelt vast dat de gronden die in hoger beroep zijn aangevoerd een vrijwel letterlijke herhaling vormen van de gronden van het beroep, zoals weergegeven in de brief van appellant van 24 januari 2012 en in de pleitnota ter zitting bij de rechtbank. De rechtbank heeft deze gronden besproken en is tot het oordeel gekomen dat deze niet slagen. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel en maakt de hieraan ten grondslag liggende overwegingen tot de zijne. Appellant heeft niet aangegeven waarom, naar zijn mening, het oordeel van de rechtbank niet juist is. Evenmin heeft hij met nieuwe objectieve medische stukken zijn standpunt, dat hij meer beperkt is, ondersteund. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

5.

Uit 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2014.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) Z. Karekezi

NW