Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1267

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
22-04-2014
Zaaknummer
12-3059 WMO-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Vermindering omvang van de toegekende hulp bij huishouden om de reden dat van de zoon van appellante mag worden verwacht dat hij twee uur per week zware huishoudelijke werkzaamheden verricht. De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd en daarom niet in stand kan blijven. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college op te dragen de in 4.5 bedoelde gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Het college moet om deugdelijk te kunnen beoordelen of de zoon in staat is tot het leveren van gebruikelijke zorg in de hier aan de orde zijnde periode, de zoon persoonlijk horen. Daarbij zal moeten worden bezien of medische gegevens over de gestelde gezondheidsproblemen van de zoon door hem kunnen worden overgelegd of met toestemming van hem kunnen worden verkregen. Als er geen of onvoldoende medische gegevens te verkrijgen zijn (bijvoorbeeld omdat, zoals appellante in hoger beroep heeft gesteld, de zoon wegens een gebrek aan financiële middelen niet nader medisch is onderzocht) dan is het aan het college om te bezien of er aanleiding is een arts onderzoek te laten verrichten naar de gezondheidssituatie van de zoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/145

Uitspraak

12/3059 WMO-T

Datum uitspraak: 16 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 april 2012, 11/3490 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.F.J. Witlox, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Witlox. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.J.M. Beijk.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het college heeft appellante in verband met haar beperkingen op grond

van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een voorziening in de vorm van hulp bij het huishouden voor 6 uur per week toegekend, laatstelijk tot 9 december 2010.

1.2.

Op 7 oktober 2010 heeft appellante een aanvraag ingediend voor verlenging van hulp bij het huishouden. Appellante heeft twee inwonende kinderen: een dochter geboren op

20 oktober 1992 en een zoon geboren op 14 december 1990.

1.3.

Bij besluit van 16 december 2010 heeft het college aan appellante hulp bij het huishouden toegekend voor 6 uur per week over de periode van 9 december 2010 tot 9 januari 2011 en voor 3 uur en 15 minuten per week over de periode van 9 januari 2011 tot 9 december 2013. De voorziening is verstrekt in de vorm van zorg in natura. Het college heeft de vermindering van de omvang van de toegekende hulp bij het huishouden per 9 januari 2011 gebaseerd op het aan hem uitgebrachte advies van 6 december 2010 van indicatieadviseur M.G. Boesveld en medisch adviseur H.J. Dijkstra van de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Naar de opvatting van de medisch adviseur kan van de zoon van appellante, die geen relevante lichamelijke of psychische beperkingen heeft, verwacht worden dat hij, naar gelang zijn leeftijd, een bijdrage levert in het huishouden bestaande uit het verrichten van zwaar huishoudelijk werk gedurende 2 uur per week. Van de dochter van appellante wordt geen bijdrage in het huishouden verwacht.

Het college heeft, gelet op het advies van CIZ, geconcludeerd dat rekening houdend met de beperkingen van appellante ten gevolge van longproblematiek en allergieën, en door de zoon te leveren gebruikelijke zorg, er een indicatie is voor overname van zwaar huishoudelijk werk voor 2 uur per week en van licht huishoudelijk werk voor 1 uur en 15 minuten.

1.4.

Bij besluit van 28 september 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 16 december 2010 ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan het advies van de medisch adviseur dat de zoon in staat moet worden geacht 2 uur zware huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Daartoe is overwogen dat uit het rapport van de medisch adviseur valt af te leiden dat de zoon is onderzocht en rekening is gehouden met zijn gezondheidssituatie. Appellante heeft verder geen medische of andersoortige informatie ingebracht die de rechtbank tot een andere conclusie brengt ten aanzien van de juistheid van het advies op dit punt. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de omvang van de hulp bij het huishouden van 3 uur en 15 minuten per week in de situatie van appellante onvoldoende moet worden geacht.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat haar zoon in verband met beperkingen door COPD en maag- en darmproblemen ten gevolge van voedselallergieën geen bijdrage kan leveren aan het huishouden. Het evenwicht is wankel en door de allergieën is de zoon sterk vermoeid. De zoon is voor zijn allergieën niet nader onderzocht door een specialist omdat hij volgens appellante niet het bedrag aan eigen risico van de ziektekostenverzekering kan dragen.

3.2.

Het college heeft in hoger beroep verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak. Het college heeft aangegeven dat appellante de stelling dat haar zoon geen zwaar huishoudelijk werk kan verrichten niet heeft onderbouwd met bewijsstukken, zoals medische verklaringen.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1. In artikel 1, aanhef en onder y, van de Verordening individuele verstrekkingen Wmo gemeente ’s-Hertogenbosch 2010 (Verordening) is bepaald dat in de Verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving onder gebruikelijke zorg wordt verstaan: hulp bij het huishouden door één of meer huisgenoten van de persoon met beperkingen, behorend tot diens leefeenheid, die in staat zijn het huishoudelijke werk te verrichten, omdat zij geen last ondervinden van medische, psychische en/of sociale problemen.

4.1.2. In artikel 10 van de Verordening is bepaald dat een aanvrager niet in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt één of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten. Dit is van toepassing zolang er geen onevenredig beroep wordt gedaan op de draaglast en de draagkracht van de aanvrager en zijn huisgenoten.

4.1.3. In de Beleidsregels individuele verstrekkingen Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente ’s-Hertogenbosch 2007 is in hoofdstuk 2 onder 2.3 bepaald dat bij de beoordeling van aanvragen voor huishoudelijke hulp het Protocol Gebruikelijke Zorg van CIZ van april 2005 (PGZ) wordt gehanteerd.

4.1.4. Het PGZ geeft onder 2.9 aan dat indien er sprake is van huisgenoten die gebruikelijke zorg leveren, het zaak is dat de indicatiesteller die huisgenoten altijd persoonlijk hoort in het kader van het indicatieonderzoek. Ook - of juist - wanneer het gaat om min of meer gebruikelijke zorg en de inzet van de huisgenoot, vereist de zorgvuldigheid dat deze wordt gehoord.

Het PGZ geeft verder onder 3.2 aan dat een indicatiesteller kan besluiten dat een huisgenoot geen gebruikelijke zorg kan leveren als deze zodanige gezondheidsproblemen heeft dat redelijkerwijs moet worden geconcludeerd dat de desbetreffende taken niet door hem uitgevoerd kunnen worden. Wanneer de huisgenoot gezondheidsproblemen en beperkingen heeft of door de combinatie van een (volledige) werkkring of opleiding en het voeren van het huishouden overbelast dreigt te raken, zullen de (medische) gegevens ter onderbouwing daarvan door de betrokkene moeten worden aangeleverd. Het indicatieorgaan moet zich daar dan een geobjectiveerd oordeel over vormen.

4.2.

De Raad stelt vast dat, gelet op hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, tussen partijen in geschil is of het college terecht heeft aangenomen dat van de inwonende zoon van appellante, op grond van gebruikelijke zorg, mag worden verwacht dat hij 2 uur per week zware huishoudelijke werkzaamheden verricht. De Raad zal zijn beoordeling dan ook hiertoe beperken.

4.3.

Volgens het door het college bij de beoordeling van de aanvraag te hanteren PGZ vereist de zorgvuldigheid, zoals hiervoor onder 4.1.4 is weergegeven, dat de indicatiesteller de huisgenoot die gebruikelijke zorg levert altijd persoonlijk hoort in het kader van het indicatieonderzoek. Uit het advies van CIZ van 6 december 2010, dat door het college aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, blijkt echter dat noch de indicatiesteller noch de medisch adviseur een gesprek met de zoon heeft gevoerd. Uit het eerdere advies van CIZ van 28 oktober 2010 blijkt dat de medisch adviseur op 7 oktober 2010 alleen heeft gesproken met appellante en haar dochter.

4.4.

De medisch adviseur heeft in zijn rapport van 6 december 2010 vastgesteld dat de zoon geen relevante lichamelijke of psychische beperkingen heeft. Onduidelijk is waar dat standpunt op is gebaseerd. De medisch adviseur heeft de zoon niet onderzocht. Uit het rapport blijkt niet of de medisch adviseur zijn conclusie heeft gebaseerd op door hem verkregen informatie omtrent de gezondheidstoestand van de zoon. Daarom is niet inzichtelijk en verifieerbaar op grond van welke gegevens de medisch adviseur heeft geconcludeerd dat de zoon medisch gezien geen belemmering ondervindt om, op grond van gebruikelijke zorg,

2

uur per week zware huishoudelijke werkzaamheden te verrichten.

4.5.

De Raad is gelet op wat onder 4.3 en 4.4 is overwogen van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd en daarom niet in stand kan blijven. Dit geldt ook voor de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten.

5.

De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college op te dragen de in 4.5 bedoelde gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Het college moet om deugdelijk te kunnen beoordelen of de zoon in staat is tot het leveren van gebruikelijke zorg in de hier aan de orde zijnde periode, de zoon persoonlijk horen. Daarbij zal moeten worden bezien of medische gegevens over de gestelde gezondheidsproblemen van de zoon door hem kunnen worden overgelegd of met toestemming van hem kunnen worden verkregen. Als er geen of onvoldoende medische gegevens te verkrijgen zijn (bijvoorbeeld omdat, zoals appellante in hoger beroep heeft gesteld, de zoon wegens een gebrek aan financiële middelen niet nader medisch is onderzocht) dan is het aan het college om te bezien of er aanleiding is een arts onderzoek te laten verrichten naar de gezondheidssituatie van de zoon.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en W.H. Bel en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2014.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) S. Aaliouli

JL