Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1260

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
17-04-2014
Zaaknummer
12-6752 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending inlichtingenverplichting door geen melding te maken van de werkzaamheden voor de voetbalvereniging. Verlaging bijstand voor de duur van één maand met een bedrag van € 337,50, zijnde 15% van het benadelingsbedrag. Opgelegde verlaging is in overeenstemming met de Maatregelenverordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6752 WWB

Datum uitspraak: 15 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 november 2012, 12/1856 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn en Heuvelrug (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.D. Pietersz, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 13/59 BBZ plaatsgevonden op 4 maart 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pietersz. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door A.C. Hoogendoorn. In de zaak 13/59 BBZ is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Op 18 augustus 2011 heeft appellant ten overstaan van de consulent inkomen van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn en Heuvelrug (consulent) verklaard dat hij werkzaam was als trainer coach bij [voetbalvereniging]. De consulent heeft daarop nader onderzoek gedaan naar deze werkzaamheden. Vastgesteld is dat appellant in augustus 2011 over deze werkzaamheden heeft verklaard dat sprake was van vrijwilligerswerk. Voorts is vastgesteld dat appellant niet heeft voldaan aan het verzoek hieromtrent een verklaring van [voetbalvereniging] in te leveren. Bij brief van 7 oktober 2011 heeft de Algemeen directeur van [voetbalvereniging] desgevraagd schriftelijk meegedeeld dat met appellant een overeenkomst van opdracht is gesloten met een geldigheidsduur van 1 juli 2011 tot en met 30 juni 2012 op grond waarvan appellant maandelijks een factuur ten bedrage van € 750,- stuurt. Naar aanleiding van deze brief heeft het dagelijks bestuur de uitbetaling van de bijstand van appellant per

1 oktober 2011 geblokkeerd.

1.3.

Bij besluit van 24 november 2011 heeft het dagelijks bestuur het recht op bijstand van appellant opgeschort en appellant in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 30 november 2011 gegevens te verstrekken, waaronder de overeenkomst van opdracht met [voetbalvereniging] en een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat deze overeenkomst is opgezegd door appellant. Bij besluit van 29 november 2011 is een tweede hersteltermijn gegeven onder handhaving van de opschorting van het recht op bijstand. Het dagelijks bestuur heeft aanleiding gezien de uitbetaling van het recht op bijstand per 7 december 2011 te hervatten.

1.4.

In het kader van het onderzoek heeft de consulent nogmaals contact opgenomen met [voetbalvereniging], waarna de in juni 2011 door appellant ondertekende overeenkomst van opdracht op 12 december 2011 door het dagelijks bestuur is ontvangen. De resultaten van het onderzoek naar de werkzaamheden van appellant zijn neergelegd in het rapport mutatieonderzoek WWB van 21 december 2011.

1.5.

Voor het dagelijks bestuur zijn de onderzoeksbevindingen aanleiding geweest om bij besluit van 21 december 2011 - voor zover van belang - de bijstand over de periode van

1 juli 2011 tot en met 30 september 2011 te herzien en de kosten van de over die periode ten onrechte verleende bijstand tot een bedrag van € 2.250,03 van appellant terug te vorderen. Aan dit besluit ligt, samengevat, ten grondslag dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de overeenkomst van opdracht met [voetbalvereniging], op grond van welke overeenkomst appellant met ingang van 1 juli 2011 maandelijks een bedrag van € 750,- voor de door hem verrichte werkzaamheden kan declareren.

1.5.

Bij besluit van 30 januari 2012 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2012 voor de duur van één maand verlaagd met een bedrag van € 337,50, zijnde 15% van het benadelingsbedrag. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden.

1.6.

Bij besluit van 17 april 2012 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur de bezwaren tegen de besluiten van 24 november 2011, 29 november 2011, 21 december 2011 en 30 januari 2012 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op het verhandelde ter zitting is het geding in hoger beroep beperkt tot de opgelegde maatregel, zoals opgelegd bij besluit van 30 januari 2012 en gehandhaafd bij het bestreden besluit.

4.2.

Appellant bestrijdt dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat hij melding heeft gemaakt van zijn werkzaamheden voor [voetbalvereniging]. Het sluiten en ondertekenen van de overeenkomst van opdracht hoefde appellant naar zijn mening niet te melden, omdat hij deze overeenkomst mondeling heeft opgezegd.

4.2.1.

Vaststaat dat appellant geen melding heeft gemaakt van de in 1.4 genoemde overeenkomst. Eveneens staat vast dat appellant de overeengekomen werkzaamheden heeft verricht en op grond van de gesloten overeenkomst met ingang van 1 juli 2011 maandelijks een bedrag van € 750,- voor de door hem verrichte werkzaamheden kon declareren, welke bedragen nadien ook aan appellant zijn uitbetaald. Het sluiten van een dergelijke overeenkomst van opdracht is onmiskenbaar van belang voor het recht op bijstand. Appellant had dit dan ook dienen te melden. Dit geldt ook indien - wat daar ook van zij - deze overeenkomst mondeling door appellant zou zijn opgezegd. Het opzeggen van de overeenkomst en daarmee prijsgeven van inkomsten betreft immers ook een gedraging die onmiskenbaar van belang is voor het recht op bijstand. Reeds gelet hierop heeft appellant door dit na te laten de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Dit betekent dat het dagelijks bestuur op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB in beginsel gehouden was de bijstand van appellant overeenkomstig de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2011 van de gemeenschappelijke regeling Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn en Heuvelrug (Maatregelenverordening) te verlagen.

4.3.

Appellant betwist de hoogte van de opgelegde maatregel en voert daartoe aan dat het benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld omdat hij de gedeclareerde geldbedragen bruto heeft ontvangen.

4.3.1.

Uit artikel 13, eerste lid, van de Maatregelenverordening volgt dat in geval schending van de inlichtingenverplichting heeft geleid tot benadeling van het dagelijks bestuur door het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand een benadelingsmaatregel wordt opgelegd van 15% van het benadelingsbedrag. In artikel 1, onder j, van de Maatregelenverordening is - voor zover van belang - bepaald dat onder het benadelingsbedrag wordt verstaan de bijstand die als gevolg van schending van de verplichting in artikel 17 van de WWB ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Uit 1.5 volgt dat aan de maatregel ten grondslag is gelegd dat aan appellant een bedrag van € 2.250,03 ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is verleend. Dat appellant over de door hem ontvangen bruto geldbedragen mogelijk op een later moment nog premies of belastingen dient te betalen, doet - daargelaten dat hiervoor mogelijk aanspraak op bijzondere bijstand kan worden gemaakt - hier niet aan af. De door het dagelijks bestuur opgelegde verlaging is daarom in overeenstemming met de Maatregelenverordening.

4.4.

Uit 4.2 tot en met 4.3.1 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en H.C.P. Venema en

G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2014.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) E. Heemsbergen

HD