Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1253

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
17-04-2014
Zaaknummer
12-5708 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:4756, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proceskostenveroordeling door de rechtbank is te laag vastgesteld. Volgens vaste rechtspraak is onder de proceshandeling ‘beroepschrift’ in de zin van het Besluit ook te begrijpen een door een beroepsmatig rechtsbijstandverlener ingediend aanvullend beroepschrift.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Besluit proceskosten bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/185
JB 2014/127
ABkort 2014/155

Uitspraak

12/5708 WWB

Datum uitspraak: 15 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

30 augustus 2012, 11/5675 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2014. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken 12/5707 WWB en 13/3637 WWB. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Zundert. Het college is met bericht niet verschenen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. In de zaken 12/5707 WWB en 13/3637 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor alleenstaande.

1.2.

Bij besluit van 21 oktober 2011, gehandhaafd bij besluit van 22 december 2011 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant bij wijze van een maatregel verlaagd met 30% met ingang van 1 november 2011 voor de duur van één maand.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 21 oktober 2011 herroepen. Voorts heeft de rechtbank het college veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 437,-.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd te kennen gegeven dat het hoger beroep nog uitsluitend is gericht tegen de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling. Hij heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten een vergoeding toe te kennen voor de door appellant gemaakte reiskosten in bezwaar en in beroep en het door de gemachtigde ingediend aanvullend beroepschrift.

4.2.1.

In gevolge artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient een verzoek om vergoeding van de kosten van de behandeling van de bezwaarprocedure gedaan te worden voordat het bestuursorgaan op het bezwaar beslist. Appellant heeft in bezwaar voorafgaand aan het bestreden besluit geen verzoek om vergoeding van de reiskosten in bezwaar gedaan. De rechtbank heeft dan ook terecht geen vergoeding toegekend voor die reiskosten.

4.2.2.

Indien het beroep gegrond wordt verklaard, kent de bestuursrechter in de regel ambtshalve een vergoeding voor kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand toe. Ter verkrijging van een vergoeding van overige kosten van de procedure, zoals reiskosten, dient een partij een verzoek in te dienen. Zie de uitspraak van de Raad van 13 december 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BC0878. Appellant heeft in beroep bij de rechtbank geen verzoek ingediend om vergoeding van reiskosten. De rechtbank heeft daarom terecht geen vergoeding toegekend voor de reiskosten van appellant in beroep.

4.3.

Appellant heeft zelf een beroepschrift met (summiere) gronden ingediend. Vervolgens heeft de gemachtigde van appellant een geschrift ingediend waarin de beroepsgronden zijn uitgewerkt. Volgens vaste rechtspraak is onder de proceshandeling ‘beroepschrift’ in de zin van het Besluit ook te begrijpen een door een beroepsmatig rechtsbijstandverlener ingediend aanvullend beroepschrift (zie de uitspraken van de Raad van 14 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8558 en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO0271). De kosten van het aanvullend beroepschrift komen dan ook op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, de proceskosten van appellant vaststellen op € 974,- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, € 487,- per punt).

5.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten die appellant in hoger beroep heeft moeten maken. De kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep worden begroot op € 487,- (1 punt voor het indienen van een hoger beroepschrift). Daarbij wordt aangetekend dat de Raad voor het bijwonen van de zitting en de reiskosten van appellant in hoger beroep reeds een vergoeding heeft toegekend in zijn uitspraak van heden in de zaken 12/5708 WWB en 13/3637 WWB.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij de door het college aan

appellant te vergoeden proceskosten in beroep heeft vastgesteld op een bedrag van € 437,- en

stelt dit bedrag vast op € 974,-;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van

€ 487,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 115,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.C. Oomkens

HD