Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1249

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
12-5937 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verschuiving ingangsdatum toekenning ouderdomspensioen. Beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Terecht afgezien van horen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5937 AOW

Datum uitspraak: 11 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van

27 september 2012, 12/1071 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft drs. A.C. Luttmer hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2014. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. Luttmer. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.S. van Zanten.

OVERWEGINGEN

1.1. Op 31 oktober 2011 heeft appellante een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Bij besluit van 1 november 2011 is aan appellante met ingang van april 2012 een ouderdomspensioen van € 690,54 netto per maand toegekend. Bij dit besluit is meegedeeld dat de ingangsdatum van het ouderdomspensioen door een mogelijke wetswijziging zal verschuiven; in dat geval zal het ouderdomspensioen over de maand april 2012 lager uitvallen dan het vermelde bedrag per maand. Daarbij is vermeld dat de verschuiving van de ingangsdatum nog niet definitief is, omdat de Eerste Kamer van de Staten-Generaal nog niet akkoord is gegaan met het wetsvoorstel. Op 20 december 2011 heeft appellante de Svb verzocht geen rekening te houden met de loonheffingskorting. In verband daarmee heeft de Svb bij besluit van 5 januari 2012 vastgesteld dat met ingang van april 2012 het ouderdomspensioen € 584,56 netto per maand bedraagt, omdat op het ouderdomspensioen loonheffing moet worden ingehouden en geen loonheffingskorting wordt toegepast. Bij besluit van 1 maart 2012 is de ingangsdatum van het ouderdomspensioen vastgesteld op

24 april 2012. Het ouderdomspensioen over de maand april 2012 is bij dit besluit vastgesteld op € 201,29 bruto (€ 156,92 netto).

1.2. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 3 april 2012 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het besluit van 3 april 2012 ongegrond verklaard. Geoordeeld is dat het ouderdomspensioen over april 2012 terecht op

€ 201,29 bruto is vastgesteld. De rechtbank heeft het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen. Overwogen is dat appellante vanaf de ontvangst van het besluit van 1 november 2011 rekening heeft kunnen houden met de mogelijkheid dat het ouderdomspensioen over april 2012 lager zou uitvallen. In dit besluit is zij in ondubbelzinnige bewoordingen op deze mogelijkheid gewezen. Het pensioenbedrag dat is vermeld in het besluit van 1 november 2011, zag op de stand van zaken op dat moment. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante aan het besluit van 5 januari 2012 niet de gerechtvaardigde verwachting kunnen ontlenen dat het in dat besluit vermelde bedrag zou worden toegekend vanaf het moment waarop zij aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen zou voldoen. Geen sprake is van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging. Het voorbehoud dat de Svb in het besluit van 1 november 2011 heeft gemaakt, was op 5 januari 2012 onverminderd van kracht. De Svb was niet teruggekomen van het voorbehoud en hoefde het niet te herhalen. Het besluit van 5 januari 2012 is een correctie van het pensioenbedrag en is gebaseerd op de wetgeving die op dat moment nog gold, waarbij het ouderdomspensioen ingaat op de eerste dag van de maand waarin de betrokkene 65 jaar wordt. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de Svb van het horen van appellante heeft mogen afzien. De Svb kon zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat uit het bezwaarschrift aanstonds bleek dat de grief van appellante ongegrond was. Uit het bezwaarschrift bleek niet dat appellante gelegenheid wilde om aanvullende grieven naar voren te brengen.

3.1.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de Svb verplicht is over april 2012 het in het besluit van 5 januari 2012 vermelde pensioenbedrag te betalen, omdat appellante er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat daarbij het juiste pensioenbedrag is vastgesteld. Appellante heeft gesteld dat de mededeling dat zij vanaf april 2012 een ouderdomspensioen van € 584,56 netto per maand krijgt, een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging is. Volgens appellante was het in het besluit van 1 november 2011 gemaakte voorbehoud op 5 januari 2012 niet (onverkort) van kracht en heeft de Svb in het besluit van 5 januari 2012 willens en wetens een onjuist bedrag genoemd. Appellante wijst erop dat het wetsvoorstel op dat moment al door de Eerste Kamer was aangenomen. Voorts heeft appellante het standpunt ingenomen dat de Svb niet heeft mogen afzien van het horen van appellante. De Svb heeft er geen rekening mee gehouden dat sprake zou kunnen zijn van een te honoreren opgewekt vertrouwen. Volgens appellante had zij in de gelegenheid moeten worden gesteld om op een hoorzitting nadere argumenten aan te voeren. Zij wijst op de argumenten die in beroep zijn aangevoerd.

3.2.

De Svb heeft gesteld dat geen sprake is van een gerechtvaardigde verwachting en dat terecht van het horen van appellante is afgezien.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat bij het besluit van 3 april 2012 op juiste wijze toepassing is gegeven aan artikel 16, eerste lid, van de AOW, zoals deze bepaling luidt met ingang van 1 april 2012. Beoordeeld dient te worden of appellante er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat zij - in afwijking van deze wettelijke bepaling - aanspraak heeft op ouderdomspensioen met ingang van 1 april 2012.

4.2.

De Raad heeft al eerder geoordeeld, bijvoorbeeld in zijn uitspraken van 9 augustus 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR4926), 7 augustus 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX3805) en

26 april 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8855), dat een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen kan slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.

4.3.

Appellante heeft uit het besluit van 5 januari 2012, bezien in samenhang met haar verzoek tot het nemen van dit besluit, de toelichting over de wetswijziging in het besluit van

1 november 2011 en de overige beschikbare informatie, redelijkerwijs niet mogen afleiden dat bij de vaststelling van het in het besluit van 5 januari 2012 vermelde bedrag van € 584,56 netto per maand de aangekondigde wetswijziging al in aanmerking was genomen. Appellante wist of heeft kunnen weten dat de verlaging van het nettopensioen verband hield met haar verzoek van 20 december 2011 aan de Svb om de loonheffingskorting niet toe te passen. In het besluit van 5 januari 2012 is toegelicht dat de verlaging van het nettopensioenbedrag met ingang van april 2012 verband houdt met het niet toepassen van de loonheffingskorting. Het besluit van 5 januari 2012 bevat geen enkele aanwijzing dat daarbij al rekening is gehouden met de door de Svb aangekondigde wetswijziging. Ook uit de hoogte van het daarbij vermelde pensioenbedrag over april 2012 van € 584,56, in vergelijking met het in het besluit van

1 november 2011 vermelde bedrag van € 690,54, heeft appellante kunnen begrijpen dat de wetswijzing - op grond waarvan de ingangsdatum zou verschuiven van 1 april 2012 naar

24 april 2012 - bij het besluit van 5 januari 2012 nog niet was verwerkt. Daaraan doet niet af dat het betreffende wetsvoorstel voor 5 januari 2012 door de Eerste Kamer is aanvaard. Ook door de website van de Svb te raadplegen of telefonisch contact met de Svb op te nemen heeft appellante kunnen weten dat de wetswijzing nog niet in het besluit van 5 januari 2012 was verwerkt. De Svb heeft gesteld - wat appellante niet heeft betwist - dat op de website informatie over het wetsvoorstel was geplaatst en een aankondiging stond dat betrokkenen rond 3 maart 2012 in verband daarmee een beslissing konden verwachten.

4.4.

De Raad verwerpt de stelling van appellante dat de Svb niet van het horen heeft mogen afzien. De uitzondering op de hoorplicht moet - hetgeen appellante terecht heeft

opgemerkt - restrictief worden opgevat. Bepalend voor de bevoegdheid om van het horen af te zien is of redelijkerwijs twijfel mogelijk was over de ongegrondheid van het bezwaar. Daarvan was in dit geval geen sprake. Het besluit van 1 maart 2012 is genomen ter uitvoering van een dwingendrechtelijk geformuleerde wettelijke bepaling. Het enkele feit dat appellante een beroep doet op het vertrouwensbeginsel brengt niet mee dat de Svb gehouden was appellante te horen. Ook de omvang van de door appellante aangevoerde of aan te voeren argumentatie is daarvoor niet beslissend. De door appellante in bezwaar of nadien aangevoerde argumenten zijn niet van zodanige aard dat de Svb redelijkerwijs behoefde te twijfelen aan de ongegrondheid van het bezwaar.

5.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2014.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) H.J. Dekker

IvR