Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1240

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
12-5143 WMO-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. De gebreken kunnen uitsluitend worden hersteld door een beslissing die gebaseerd is op nader onderzoek door het college naar de omvang van de noodzakelijk geachte ondersteuning. (...) Het college dient hierbij inzichtelijk te maken op hoeveel uren hulp bij het huishouden appellante is aangewezen, hoeveel uren per taak worden geïndiceerd en waarop dit is gebaseerd. Het college dient tevens in te gaan op hetgeen appellante heeft aangevoerd over het gebruik van (voorliggende) voorzieningen als de boodschappenservice en de maaltijdservice en de eventuele toepasselijkheid van de hardheidsclausule. Ten slotte dient het college inzichtelijk te motiveren òf en in hoeverre het reeds aan appellante verleende pgb voor hulp bij het huishouden en de ophoging van € 3.259,- in mindering strekken op een eventueel aan appellante te verlenen pgb voor hulp bij het huishouden.

Wetsverwijzingen
Wet maatschappelijke ondersteuning
Wet maatschappelijke ondersteuning 2
Wet maatschappelijke ondersteuning 4
Besluit zorgaanspraken AWBZ
Besluit zorgaanspraken AWBZ 2
Regeling subsidies AWBZ
Regeling subsidies AWBZ 2.6.6
Regeling subsidies AWBZ 2.6.9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/178 met annotatie van M.F. Vermaat
RSV 2014/180
JWWB 2014/171

Uitspraak

12/5143 WMO-T, 13/4165 WMO-T

Datum uitspraak: 9 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

8 augustus 2012, 10/2077 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van De Bilt (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.R. Jonkman, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2014. Namens appellante zijn verschenen [B.] en [C.], bijgestaan door mr. Jonkman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van Schaik en E. Fuhri Snethlage.


OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren [in] 1924, heeft diverse ouderdomsklachten. Zij ondervindt ernstige beperkingen met betrekking tot geheugen, concentratie en oriëntatie als gevolg van dementie. Appellante woont zelfstandig in een appartement.

1.2.

Appellante beschikte vanaf 2000 over opvolgende indicaties voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor verschillende zorgfuncties, waaronder destijds huishoudelijke verzorging. Zij ontving deze zorg in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Met betrekking tot huishoudelijke verzorging was appellante tot 1 januari 2009 geïndiceerd naar klasse 6 (13 tot 15,9 uur). Bij besluit van 18 februari 2009 heeft het Centrum indicatiestelling zorg appellante geïndiceerd voor zorgzwaartepakket VV05 (ZZP5), beschermd wonen met intensieve dementiezorg, te ontvangen in de vorm van een pgb.

1.3.

Op 27 augustus 2008 heeft appellante hulp bij het huishouden aangevraagd op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Bij besluit van 29 september 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 mei 2010 (bestreden besluit), heeft het college appellante in aanmerking gebracht voor hulp bij het huishouden HH2, klasse 3 (4 tot 6,9 uur per week), voor de periode van 1 januari 2009 tot 1 januari 2014, te ontvangen in de vorm van een pgb van € 4.613,- per jaar. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.1.

Naar aanleiding van een tussenuitspraak van de rechtbank van 27 oktober 2011 (10/2077), waarin is overwogen dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, heeft het college het standpunt ingenomen dat hulp bij het huishouden is verdisconteerd in het door appellante ontvangen pgb voor ZZP5. Er bestaat volgens het college dan ook geen aanspraak op hulp bij het huishouden op grond van de Wmo.

2.2.

Bij besluit van 6 december 2011 heeft het college het pgb van appellante voor hulp bij het huishouden per 1 januari 2012 beëindigd.

2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het college opgedragen om met betrekking tot een gedeelte van het vernietigde bestreden besluit een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en met betrekking tot het overige gedeelte de rechtsgevolgen in stand gelaten. Met betrekking tot de periode van 1 januari 2009 tot en met 17 februari 2009 is overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd in hoeverre de in deze periode door appellante ontvangen AWBZ-zorg, voor zover daarin huishoudelijke hulp is verdisconteerd, voorliggend is op de Wmo. Met betrekking tot de periode van 18 februari 2009 tot 1 januari 2012 is overwogen dat de AWBZ een voorliggende voorziening is, omdat in ZZP5 een component verblijf is opgenomen en het hiervoor ontvangen pgb op grond van artikel 2.6.9, twaalfde lid, van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) mag worden besteed aan huishoudelijke hulp.

2.4.

Het college heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bij besluit van
1 november 2012 hulp bij het huishouden aan appellante toegekend naar klasse 6 (13 tot 15,9 uur), voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 17 februari 2009.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Ter zitting van de Raad heeft appellante ook verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of het op grond van de AWBZ aan appellante verstrekte pgb in aanmerking mag worden genomen bij het vaststellen van de aanspraak van appellante op een voorziening in de vorm van hulp bij het huishouden op grond van de Wmo.

Omvang geding

4.2.1.

Met het besluit van 6 december 2011 tot beëindiging van het pgb per 1 januari 2012 heeft het college de looptijd van de aanvankelijk tot 1 januari 2014 toegekende hulp bij het huishouden gewijzigd en daarmee de rechtsgevolgen van het bestreden besluit veranderd. De rechtbank heeft dit besluit dan ook ten onrechte niet tot de omvang van het geding gerekend. De Raad zal het besluit van 6 december 2011 aanmerken als besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het hoger beroep van appellante op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede gericht achten tegen dit besluit.

4.2.2.

Ter zitting heeft appellante medegedeeld dat zij zich kan vinden in het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 1 november 2012 tot toekenning van hulp bij het huishouden, klasse 6, voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 17 februari 2009. Dit besluit maakt dan ook geen onderdeel uit van de omvang van het geding.

Beoordeling

4.3.1.

Op grond van artikel 2 van de Wmo bestaat er geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning voor zover, met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat.

4.3.2.

Op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmo moet het college van burgemeester en wethouders voorzieningen treffen die een persoon als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, op het gebied van de maatschappelijke ondersteuning, die hem in staat stellen een huishouding te voeren.
4.3.3. In artikel 2, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (Besluit) is het volgende bepaald:

“1. De verzekerde heeft, behoudens voor zover het zorg betreft die kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, aanspraak op:
a. persoonlijke verzorging als omschreven in artikel 4;
b. verpleging als omschreven in artikel 5;
c. begeleiding als omschreven in artikel 6;
d. behandeling als omschreven in artikel 8;
e. verblijf als omschreven in artikel 9;
f. vervoer als omschreven in artikel 10;
g. het gebruik van een verpleegartikel als omschreven in artikel 11;
h. doventolkzorg als omschreven in artikel 12;
i. voortgezet verblijf als omschreven in artikel 13;
j. zorg als omschreven in artikel 15;
k. onderzoek naar aangeboren stofwisselingsziekten als omschreven in artikel 17;
l. vaccinaties als omschreven in artikel 18.”

4.3.4.

In artikel 2.6.6, achtste (2009) of zesde (2010) lid, van de Rsa is bepaald dat het zorgkantoor een maximaal te verlenen netto persoonsgebonden budget van een verzekerde met een indicatie voor verblijf kan ophogen tot het bedrag dat de verzekerde in een instelling zou kosten, onder aftrek van de woonlasten.

4.3.5.

In artikel 2.6.9, twaalfde (2009 of tiende (2010) of negende (2012 en 2013) lid, van de Rsa is bepaald dat de verzekerde die blijkens het indicatiebesluit is aangewezen op verblijf, het persoonsgebonden budget ook mag gebruiken voor betaling van huishoudelijke hulp.

4.3.6.

In de Beleidsregel 2011 Toekenning PGB-AWBZ bij indicatie langdurig verblijf (Beleidsregel 2011) van de voorzitter van de raad van bestuur van het College voor zorgverzekeringen is bepaald dat het zorgkantoor het pgb voor budgethouders die niet in een instelling verblijven, met € 3.259,- verhoogt voor de kosten van huishoudelijke hulp.

Te beoordelen perioden

4.4.1.

Vaststaat dat appellante in 2011 een ophoging van het pgb-AWBZ heeft ontvangen van € 3.259,- als bedoeld in de Beleidsregel 2011. Voorts staat vast dat appellante het geïndiceerde ZZP5 in de vorm van een pgb ontving en dat zij met ingang van 11 maart 2013 is overgestapt op zorg in natura.

4.4.2.

De te beoordelen perioden kunnen dan als volgt worden vastgesteld. De periode die loopt van 18 februari 2009 tot en met 31 december 2010, de periode die loopt van
1 januari 2011 tot en met 31 december 2011, de periode die loopt van 1 januari 2012 tot en met 10 maart 2013 en de periode die loopt van 11 maart 2013 tot en met 31 december 2013.

18 februari 2009 - 31 december 2010

4.5.1.

De Raad stelt voorop dat huishoudelijke verzorging ten tijde in geding geen zorgfunctie was als bedoeld in het Besluit. Vaststaat dat appellante wel beschikte over een indicatie voor zorg als bedoeld in dat Besluit in de vorm van een zorgzwaartepakket VV05. Deze indicatie omvatte de zorgfuncties verblijf, begeleiding, persoonlijke verzorging, verpleging en behandeling. Voor zover hulp bij het huishouden al besloten zou liggen in de zorgfunctie verblijf, volgt uit artikel 2.6.6, achtste (2009) of zesde (2010) lid, van de Rsa dat woonlasten niet zijn begrepen in het pgb voor een verzekerde die is aangewezen op verblijf. Ook blijkt niet dat voor de kosten van huishoudelijke verzorging aan appellante voor deze periode een pgb-AWBZ is verleend voor - onder meer - de kosten van huishoudelijke verzorging, of een aparte ophoging van zodanig pgb bestemd voor de kosten van huishoudelijke hulp. Appellante mocht in deze periode de besteding van haar pgb op grond van artikel 2.6.9, twaalfde (2009) of tiende (2010) lid, van de Rsa weliswaar verantwoorden met de gemaakte kosten voor huishoudelijke verzorging, maar zij was daartoe niet gehouden, omdat het pgb-AWBZ dan niet volledig kan worden besteed aan de zorg waarvoor zij is geïndiceerd en waarvoor het pgb is verleend. Ook is niet gebleken dat appellante het pgb-AWBZ (gedeeltelijk) heeft besteed aan de kosten van hulp bij het huishouden. Het vorenstaande betekent dat geen sprake is van een situatie waarin sprake is van een wettelijk geregelde voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 2 van de WMO, dan wel van een situatie waarin de noodzaak van ondersteuning voor huishoudelijke hulp op grond van de Wmo ontbreekt omdat appellante daarvoor een pgb op grond van de AWBZ ontvangt.

1 januari 2011 - 31 december 2011

4.6.1.

In zijn uitspraak van 5 juni 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:CA2974) heeft de Raad geoordeeld dat van een betrokkene die op grond van Beleidsregel 2011 een ophoging van het pgb-AWBZ heeft ontvangen voor hulp bij het huishouden, verlangd mag worden dat hij deze ophoging in het kader van de eigen verantwoordelijkheid aanwendt voor hulp bij het huishouden. Er bestaat in dat geval geen noodzaak tot ondersteuning voor het college voor zover het bedrag van deze ophoging toereikend is om huishoudelijke hulp te financieren.

4.6.2.

Nu vaststaat dat appellante in deze periode de hier bedoelde ophoging van

€ 3.259,- heeft ontvangen, mag van haar worden verwacht dat zij deze ophoging, overeenkomstig de hiervoor genoemde uitspraak, ook besteedt aan de kosten van hulp bij het huishouden. Het is echter niet duidelijk of appellante met de ophoging kan voorzien in haar volledige behoefte aan hulp bij het huishouden, of dat zij wellicht is aangewezen op meer zorg dan zij met de ophoging kan inkopen. Het ligt op de weg van het college om dit vast te stellen. De noodzaak tot ondersteuning van appellante door het college bestaat dan ook voor zover de behoefte aan hulp bij het huishouden het bedrag van € 3.259,- overstijgt.

1 januari 2012 tot en met 10 maart 2013

4.7.1.

Het pgb-AWBZ is met ingang van 1 januari 2012 niet verhoogd met een apart bedrag voor de kosten van hulp bij het huishouden. Appellante heeft het door haar ontvangen

pgb-AWBZ in die periode ook niet mede besteed aan de kosten van hulp bij het huishouden. Dit betekent, onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.5.1, dat ook voor deze periode geldt dat niet kan worden aangenomen dat sprake is van een situatie waarin sprake is van een wettelijk voorliggende voorzienig, dan wel dat de noodzaak tot ondersteuning door het college op grond van de Wmo ontbreekt. De Raad begrijpt het voor deze periode door appellante ingenomen standpunt zo, dat zij een beroep doet op hulp bij het huishouden, voor zover deze meer beloopt dan 4 uur en 15 minuten per week. Dit betekent dat de noodzaak tot ondersteuning door het college bestaat voor zover deze de omvang van 4 uur en 15 minuten per week overstijgt.

11 maart 2013 tot 31 december 2013

4.8.

Nu vaststaat dat appellante in deze periode het geïndiceerde ZZP5 in natura heeft ontvangen waarin, zoals appellante heeft aangevoerd, ook een component hulp bij het huishouden ligt besloten, bestaat voor deze periode geen noodzaak tot ondersteuning voor het college.

Vervolg

4.9.1.

Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 4.5.1 tot en met 4.8 is overwogen, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit en het besluit van 6 december 2011 gebrekkig zijn en voor vernietiging in aanmerking komen.

4.9.2.

Uit genoemde overwegingen volgt dat de daar bedoelde gebreken uitsluitend kunnen worden hersteld door een beslissing die gebaseerd is op nader onderzoek door het college naar de omvang van de noodzakelijk geachte ondersteuning. Daarom kan de Raad niet zelf voorzien in de zaak of de rechtsgevolgen in stand laten. Er is aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college op te dragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarbij de hiervoor genoemde gebreken worden hersteld. Het college dient hierbij inzichtelijk te maken op hoeveel uren hulp bij het huishouden appellante is aangewezen, hoeveel uren per taak worden geïndiceerd en waarop dit is gebaseerd. Het college dient tevens in te gaan op hetgeen appellante heeft aangevoerd over het gebruik van (voorliggende) voorzieningen als de boodschappenservice en de maaltijdservice en de eventuele toepasselijkheid van de hardheidsclausule. Ten slotte dient het college inzichtelijk te motiveren òf en in hoeverre het reeds aan appellante verleende pgb voor hulp bij het huishouden en de ophoging van € 3.259,- in mindering strekken op een eventueel aan appellante te verlenen pgb voor hulp bij het huishouden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het College op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in de besluiten van 17 mei 2010 en 6 december 2011 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van O. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2014.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) O. Hovens

ew