Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1237

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
12-5830 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De straf van onvoorwaardelijk ontslag is onevenredig aan de aard en ernst van het plichtsverzuim. Bij dit oordeel weegt mee dat de op 24 februari 2011 verrichte en als plichtsverzuim aangemerkte gedragingen voortkomen uit één incident, waarbij appellant zich niet persoonlijk heeft bevoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2014/947
TAR 2014/106

Uitspraak

12/5830 AW

Datum uitspraak: 10 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

21 september 2012, 12/587 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Koolhoven hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2014. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door G.C. Veltmaat en

mr. S.M. van ’t Westende.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was sinds 1 juni 1992 werkzaam in de functie van parkeercontroleur, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar bij de dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam. In februari 2011 was hij als parkeercontroleur gedetacheerd bij [naam B.V.].

1.2. Naar aanleiding van een melding dat appellant zich op 24 februari 2011 rond 20.00 uur in stadsdeel Zuid bevond, terwijl hij was ingedeeld in stadsdeel Oost, is aan het Bureau Integriteit van de gemeente Amsterdam (BIA) opdracht gegeven een onderzoek in te stellen. Op 21 april 2011 heeft het BIA een rapport uitgebracht van dit onderzoek. Bij brief van 3 mei 2011 heeft het BIA het college geadviseerd aan appellant de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk strafontslag op te leggen wegens zeer ernstig plichtsverzuim.

1.3. Na zijn voornemen daartoe kenbaar te hebben gemaakt, heeft het college vervolgens bij besluit van 28 juni 2011 appellant met toepassing van artikel 13.6, eerste lid, aanhef en onder f, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Het college heeft appellant de volgende gedragingen verweten:

1.

Het op 24 februari 2011 niet aanwezig zijn op de locatie waar hij geacht werd zijn werk te doen;

2.

Het misleiden van de werkgever door kentekens in straten in stadsdeel Oost in het scansysteem in te voeren terwijl hij zich daar niet bevond; en

3.

Het niet meewerken om de ernstige twijfel die tegen hem gerezen was ten aanzien van zijn integriteit weg te nemen door het geven van onsamenhangende en ontwijkende antwoorden.

Volgens het college leveren deze gedragingen ernstig plichtsverzuim op waarvoor de sanctie van onvoorwaardelijk strafontslag als een proportionele maatregel moet worden aangemerkt. Bij besluit van 28 december 2011 (bestreden besluit) heeft het college dit strafontslag, na bezwaar, gehandhaafd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft in hoger beroep primair aangevoerd dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en subsidiair dat de opgelegde straf onevenredig is aan de aard en de ernst van het verzuim. Ook heeft appellant verzocht om het college te veroordelen tot schadevergoeding.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Appellant heeft gesteld dat de in 1.3 onder 1 genoemde gedraging wel heeft plaatsgevonden, maar dat hem dat niet kan worden verweten omdat zijn collega’s

C en G, met wie hij meereed, appellant en S pas wilden afzetten in hun werkgebied (stadsdeel Oost) nadat zij in hun eigen gebied (stadsdeel Zuid) werkzaamheden hadden uitgevoerd.

4.1.2. Dit betoog wordt niet onderschreven. Over het gebeurde op 24 februari 2011 zijn verklaringen afgelegd door onder meer C, G, ES, KC en de G. De Raad stelt op grond daarvan vast dat appellant en S hun collega’s C en G hebben verzocht om met hen mee te mogen rijden zonder direct aan te geven dat zij afgezet wilden worden in stadsdeel Oost. Het verzoek om daar te worden afgezet hebben appellant en S pas gedaan nadat zij door ES, KC en de G waren gesignaleerd in de auto van C en G.

4.2.1. Appellant heeft met betrekking tot de in 1.3 onder 2 genoemde gedraging erkend dat hij tussen 19.38 en 20.14 uur in stadsdeel Zuid kentekens heeft gescand of ingevoerd terwijl hij straatnamen van stadsdeel Oost had ingevoerd. Hij stelt echter dat het nooit zijn bedoeling is geweest zijn werkgever te misleiden, maar dat zijn concentratie minder was vanwege pijnklachten en medicijngebruik, zodat hij vergat de straatnaam in de handscanner te wijzigen.

4.2.2. Ook dit betoog kan niet worden onderschreven. Evenals de rechtbank acht de Raad het niet aannemelijk dat appellant en S per ongeluk in hun handscanner op exact hetzelfde tijdstip (19.38 uur) de Mary Zeldenruststraat in stadsdeel Oost hebben ingevoerd, hetgeen blijkt uit de scangegevens die zich in het dossier bevinden. Daarnaast heeft appellant op 8 maart 2011 over het scannen van kentekens in de ene zone, terwijl hij stond in de andere zone, verklaard dat hij inderdaad maar wat heeft gedaan omdat er hoge eisen aan de kwantiteit worden gesteld bij [naam B.V.] en dat hij eigenlijk heeft gehandeld om aan te tonen dat hij bezig was. Op 13 april 2011 heeft appellant verklaard bij zijn vorige verklaringen te blijven. Niet aannemelijk is dat deze verklaringen onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd.

4.3.1. Ten aanzien van de in 1.3 onder 3 genoemde gedraging heeft appellant gesteld dat alle gesprekken hem te veel waren geworden.

4.3.2. De verklaringen van appellant van 25 februari 2011, 8 maart 2011 en 13 april 2011 bevatten de lezing dan wel percepties van appellant van de gebeurtenissen van 24 februari 2011. Het feit dat appellant enkele delen van zijn verhaal tijdens het afleggen van de verklaring van 8 maart 2011 naar aanleiding van opmerkingen van de hoorders heeft aangepast, en dat de Raad de lezing van appellant niet geheel onderschrijft, is ontoereikend voor de conclusie dat het afleggen van de verklaringen zelfstandig plichtsverzuim oplevert.

4.4.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.1.1 tot en met 4.3.2 volgt dat van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde gedragingen alleen de in 1.3 onder 1 en 2 genoemde gedragingen resteren. Deze gedragingen leveren plichtsverzuim op. Niet gebleken is dat het plichtsverzuim appellant niet ten volle kan worden toegerekend. Daarom was het college bevoegd appellant daarvoor disciplinair te straffen.

4.5.

In artikel 13.6 van de NRGA is bepaald welke straffen aan de ambtenaar kunnen worden opgelegd. In de toelichting bij dit artikel is opgenomen dat voor elke straf geldt dat er sprake moet zijn van evenredigheid tussen de opgelegde straf en het geconstateerde plichtsverzuim. Daarbij wordt onder meer verwezen naar de Handleiding straftoepassing bij integriteitsschendingen van het BIA. In bijlage 6 van deze handreiking zijn strafverzachtende en -verzwarende omstandigheden opgenomen.

4.6.

De Raad is van oordeel dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim. Bij dit oordeel weegt mee dat de op 24 februari 2011 verrichte en als plichtsverzuim aangemerkte gedragingen voortkomen uit één incident, waarbij appellant zich niet persoonlijk heeft bevoordeeld. Het college heeft voorts niet betwist dat niet eerder sprake is geweest van strafwaardig plichtsverzuim tijdens het dienstverband van appellant en dat appellant er niet eerder op is gewezen dat het zonder overleg met de leidinggevende op een andere locatie werken dan is opgedragen als plichtsverzuim zou worden beschouwd.

4.7.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.6 volgt dat het hoger beroep doel treft en de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Ook het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Het college dient opnieuw op het bezwaar te beslissen en zich daartoe nader over de strafmaat te beraden. Met het oog daarop overweegt de Raad dat de andere in artikel 13.6 van de NRGA genoemde straffen hem niet als onevenredig aan de ernst van het plichtsverzuim zouden voorkomen. Bij het nieuw te nemen besluit zal het college zich ook moeten uitlaten over de verzochte vergoeding van de kosten van bezwaar als bedoeld in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht en over het verzoek om schadevergoeding.

5.

Er bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de door appellant gemaakte proceskosten, begroot op € 974,- in beroep en € 487,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 28 december 2011;

  • -

    draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt van in totaal € 384,-;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.461,-.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en C.H. Bangma en M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2014.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) M.R. Schuurman

HD