Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1232

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
17-04-2014
Zaaknummer
13-30 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding zonder daarvan melding te maken aan het college.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/30 WWB

Datum uitspraak: 15 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

21 november 2012, 12/801 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.H. Dijkstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2014. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 12/6777 WWB. Appellante is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen, bijgestaan door mr. Dijkstra. Het college, daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Blom. Na de zitting zijn de zaken gesplitst. In de zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

[T.] (T) ontving vanaf 1 februari 1986 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

De sociale recherche Zwolle e.o. heeft een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van T. De sociale recherche heeft in dat kader dossieronderzoek verricht, waarnemingen gedaan en observaties verricht. Voorts heeft de sociale recherche een buurtonderzoek gedaan en appellante en T verhoord. Ook de dochter van appellante is als getuige gehoord. De sociale recherche heeft de bevindingen van het onderzoek vastgelegd in een rapport van 5 oktober 2011.

1.3.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

18 oktober 2011, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 23 maart 2012, het recht op bijstand van T in te trekken per 1 september 2009 en de over de periode van 1 september 2009 tot en met 31 augustus 2011 voor T gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 28.107,38 van hem terug te vorderen. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat T sinds

1 september 2009 met appellante een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd zonder daarvan melding te maken aan het college. Bij afzonderlijk besluit van 18 oktober 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 maart 2012 (bestreden besluit), heeft het college het van

T terug te vorderen bedrag met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB mede van appellante teruggevorderd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellante bestrijdt dat zij in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met T. Volgens appellante zijn de bevindingen van het onderzoek onvoldoende om te concluderen dat er sprake van wederzijdse zorg was. Voorts zijn er dringende redenen om van terugvordering af te zien.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 59, tweede lid, van de WWB bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17 van de WWB, niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Voor de vaststelling dat appellant die persoon is, is vereist dat appellante gedurende de te beoordelen periode met T een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB heeft gevoerd. Op grond van deze bepaling is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.2.

Niet in geschil is dat T en appellante gedurende de hier te beoordelen periode, die loopt van 1 september 2009 tot en met 18 oktober 2011, een gezamenlijk hoofdverblijf hebben gehad, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.3.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.4.

Anders dan appellante betoogt, heeft het college met de onderzoeksbevindingen, met name de door appellante en T tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen, aannemelijk gemaakt dat appellante en T gedurende de periode in geding zorg droegen voor elkaar. Uit die verklaringen blijkt dat appellante en T maandag, dinsdag en donderdag in de woning van appellante verbleven en in het weekend bij T. Zij hebben elkaar daarmee over en weer om niet aan elkaar onderdak geboden. Uit hun verklaringen en die van de dochter van appellante blijkt dat appellante de boodschappen betaalde als T bij haar was en andersom. Voorts gebruikte appellante de scooter van T en heeft T achter het huis van appellante bestrating aangebracht.

4.5.

Voor zover appellante de verklaringen later heeft weersproken, geldt dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan. Een latere intrekking of ontkenning van die verklaring heeft weinig betekenis. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. Dat de verklaringen onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd, in essentie geen juiste weergave bevatten van wat appellante en T tegenover de sociaal rechercheurs hebben verklaard of om een andere reden buiten beschouwing moeten blijven, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt.

4.6.

Gelet op het voorgaande hadden appellante en T gedurende de te beoordelen periode met elkaar een gezamenlijke huishouding. Verlening van gezinsbijstand is niettemin achterwege gebleven omdat T de op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Daarmee is gegeven dat ten aanzien van appellante is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Het college was derhalve bevoegd de kosten van de ten onrechte aan T verleende bijstand mede van appellante terug te vorderen. Voor het bestaan van deze bevoegdheid is niet bepalend of appellante op de hoogte was van de bijstandsverlening aan T.

4.7.

Het college hanteert het beleid dat tot terugvordering wordt overgegaan tenzij er dringende redenen zijn om hiervan af te zien. De door appellante aangevoerde omstandigheid dat zij niet op de hoogte was van de bijstandsverlening aan T, waarbij zij heeft gewezen op het sepot in haar strafzaak, is niet een dergelijke dringende reden. De stelling van appellante dat de stukken geen steun bieden voor het standpunt van het college dat zij wel op de hoogte was, behoeft derhalve geen bespreking. Dit geldt ook voor hetgeen appellante heeft aangevoerd over de totstandkoming van de verklaring van haar dochter.

4.8.

Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.C. Oomkens

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD