Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1231

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
17-04-2014
Zaaknummer
12-4889 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat betrokkene geen hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4889 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van

18 juli 2012, 11/953 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A.E. Assink-Meijer. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door [D.].

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontving vanaf 27 maart 1998, aanvullend op haar uitkering op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering en haar toeslag op grond van de Toeslagenwet, bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand. Zij stond vanaf 31 december 1998 tot 3 januari 2011 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven op het adres [adres 2] te Enschede (uitkeringsadres). Betrokkene heeft gemeld dat zij vanaf 3 januari 2011 op het adres [adres 1] te De [woonplaats] woont.

1.2.

Naar aanleiding van een melding op 10 november 2010 dat betrokkene

al jaren zou samenwonen met [L.] (hierna: [L.]) op het adres [adres 1] te [woonplaats] en een zus van betrokkene woonachtig zou zijn op het uitkeringsadres, heeft het Bureau Handhaving van de gemeente Enschede een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In dat kader zijn onder meer gegevens over het waterverbruik op het uitkeringsadres van betrokkene opgevraagd en is op 3 februari 2011 informatie van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) ontvangen betreffende een door het UWV ingesteld onderzoek naar de woonsituatie van betrokkene en [L.]. De onderzoeksbevindingen van het UWV bestaan uit verslagen van gesprekken die hebben plaatsgevonden op

11 januari 2011 en 11 februari 2011 tussen betrokkene en [L.] met inspecteurs van het UWV.

1.3.

Bij besluit van 8 februari 2011 heeft het college de bijstand van betrokkene met ingang van 1 januari 2009 ingetrokken omdat zij sinds die datum samenwoont met [L.].

1.4.

Bij besluit van 11 februari 2011 heeft het college de bijstand van betrokkene herzien (lees: ingetrokken) over de periode van 1 januari 2009 tot en met 2 januari 2011 (lees:

31 december 2010) en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 12.476,35 van betrokkene teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 29 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover van belang, het bezwaar van betrokkene tegen de besluiten van 8 februari 2011 en 11 februari 2011 ongegrond verklaard onder aanpassing van de motivering. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat betrokkene vanaf 1 januari 2009 haar hoofdverblijf niet langer op het uitkeringsadres had, maar in de gemeente Losser aan de [adres 1] te [woonplaats]. Betrokkene heeft de inlichtingenverplichting geschonden door niet tijdig te melden dat zij niet meer woonachtig was in Enschede. Als gevolg daarvan heeft betrokkene vanaf 1 januari 2009 geen recht op aanvullende bijstand jegens appellant.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard voor zover dat ziet op de intrekking over de periode van

1 januari 2009 tot 1 augustus 2010, het bestreden besluit in zoverre vernietigd en het besluit van 8 februari 2011 in zoverre herroepen. Verder heeft de rechtbank het bestreden besluit wat de terugvordering betreft geheel vernietigd en appellant opgedragen daarover een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de verklaringen van betrokkene, zoals vastgelegd in de gespreksverslagen van het UWV van 13 januari 2011 en 11 februari 2011, niet eenduidig zijn over het aantal dagen dat zij in [woonplaats] verbleef. De verklaringen zijn wel helder en consistent over de reden dat betrokkene in [woonplaats] verbleef, namelijk om de vader van [L.] te verzorgen. Ook is betrokkene stellig in haar standpunt dat zij vanaf augustus 2010, na het overlijden van de vader van [L.] wel meer in [woonplaats] verbleef dan in Enschede. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college niet kan worden gevolgd in het standpunt dat uit het afwijkend waterverbruik op het uitkeringsadres kan worden afgeleid dat betrokkene niet langer haar hoofdverblijf had in deze woning. De verbruiksgegevens zijn gebaseerd op de waterstanden zoals die door de verbruikers zijn doorgegeven en zijn onvoldoende duidelijk, mede nu er een wat merkwaardige opbouw in de meterstanden zit, die door het college niet kon worden verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant betoogt dat de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat betrokkene ten tijde in geding niet meer daadwerkelijk woonachtig was in de gemeente Enschede en wijst daarvoor in het bijzonder op de door betrokkene ten overstaan van de inspecteur van het UWV op 11 januari 2011 afgelegde en ondertekende verklaring. Appellant heeft verder gewezen op de lage cijfers van het waterverbruik in de woning van betrokkene in Enschede.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voorop staat dat het hier gaat om een voor betrokkene belastend besluit, zodat de bewijslast ter zake op appellant rust.

4.2.

Appellant is er niet in geslaagd het nodige bewijs te leveren. Anders dan appellant heeft aangevoerd heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat er onvoldoende feitelijke grondslag is voor de conclusie dat betrokkene in de periode van 1 januari 2009 tot 1 augustus 2010 geen hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. De Raad onderschrijft de overwegingen waarop dit oordeel is gebaseerd en maakt die tot de zijne. Daarbij komt dat de op 11 januari 2011 afgelegde verklaring van betrokkene niet eenduidig is. Zo heeft betrokkene eerst verklaard dat zij wel eens in [woonplaats] bleef slapen maar ook wel eens een dag naar haar eigen huurwoning ging om vervolgens te verklaren wel zeker te weten dat zij vanaf 1 januari 2009 tot heden heeft samengewoond met [L.] en nagenoeg de hele week in [woonplaats] was en nadien weer heeft verklaard dat zij enkele keren per week in haar woning in Enschede kwam. Ter zitting van de Raad heeft betrokkene bovendien verklaard dat de vader van [L.] op enig moment in de periode in geding naar een medisch dagverblijf ging en dat betrokkene tijdens deze dagen niet nodig was in [woonplaats]. Mede gelet hierop blijft onduidelijkheid bestaan over het daadwerkelijke verblijf van betrokkene in [woonplaats] ten tijde hier van belang. Deze onduidelijkheid heeft appellant in hoger beroep niet kunnen wegnemen. Ten slotte wordt opgemerkt dat appellant ook in hoger beroep geen helderheid heeft kunnen verschaffen over de waterstanden op het uitkeringsadres, zodat deze gegevens niet kunnen dienen ter ondersteuning van het standpunt van appellant dat betrokkene ten tijde hier van belang geen hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

4.3.

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Aanleiding bestaat om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op

€ 40,40 voor gemaakte reiskosten in hoger beroep, in totaal dus € 1.014,40.

6.

Van appellant wordt op grond van artikel 22, derde lid, van de Beroepswet griffierecht geheven.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van in

totaal € 1.014,40;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 466,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en A.M. Overbeeke en

F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J.T.P. Pot

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

ij