Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1229

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
17-04-2014
Zaaknummer
12-4172 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering omdat appellant inkomsten uit arbeid ontving. Terugvordering van de aan appellanten verstrekte leenbijstand omdat zij niet hebben meegewerkt aan het vestigen van een krediethypotheek. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Geen aanleiding tot vermindering van het terug te vorderen bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4172 WWB, 12/4173 WWB

Datum uitspraak: 15 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 juli 2012, 12/3831 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant 1] en [appellant 2], beiden te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 4 maart 2014, waar partijen niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

Bij besluit van 8 april 2011 heeft het college aan appellanten met ingang van 21 maart 2011 bijstand toegekend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) in de vorm van een geldlening. Aan de bijstand is de voorwaarde verbonden dat appellanten medewerking verlenen aan het vestigen van een hypotheek op hun woning, tot zekerheid voor de terugbetaling van de leenbijstand.

1.1.

Bij besluit van 9 januari 2012 heeft het college de bijstand van appellanten over de periode van 1 oktober 2011 tot en met 31 oktober 2011 herzien, en de bijstand over die periode tot een bedrag van € 589,74 van hen teruggevorderd, op de grond dat appellant inkomsten uit arbeid ontving.

1.2.

Bij besluit van 12 januari 2012 heeft het college de aan appellanten verstrekte leenbijstand met ingang van 21 maart 2011 van hen teruggevorderd tot een bedrag van

€ 6.418,57, op de grond dat zij niet hebben meegewerkt aan het vestigen van een krediethypotheek.

1.3.

Bij besluit van 23 april 2012 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 9 januari 2012 en 12 januari 2012 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat uit de voorhanden zijnde stukken niet duidelijk was of het bedrag van € 589,74 in het bedrag van € 6.418,57 was begrepen, en dat eerst ter zitting van de rechtbank duidelijk is geworden dat dit niet het geval is.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij hebben zij aangevoerd dat het vertrouwensbeginsel er aan in de weg staat dat het college het bedrag van € 598,74 van appellanten kan terugvorderen. Voorts hebben zij aangevoerd dat de terugvordering met € 1.200,- moet worden verminderd omdat er rechtsongelijkheid bestaat tussen degenen die bijstand verkrijgen onder verband van krediethypotheek tot een bedrag van € 1.200,- en degenen die een hoger bedrag aan bijstand krijgen. In de visie van appellanten hoeft degene die tot de eerste categorie behoort niets terug te betalen en dient degene die tot de tweede categorie behoort alles terug te betalen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Hoewel appellanten reeds in bezwaar hebben aangevoerd dat er onduidelijkheid bestaat over de hoogte van de terug te vorderen bijstand, hebben zij eerst in hoger beroep een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan. Voorts kan een beroep op het vertrouwensbeginsel volgens vaste rechtspraak van de Raad

(19 november 2009, ECLI:NL:CRVB:BK4735) alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Aan deze eisen wordt in dit geval niet voldaan.

4.2.

Evenmin is er aanleiding tot vermindering van het terug te vorderen bedrag met € 1.200,- De gronden die appelanten in hoger beroep hebben aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. In de aangevallen uitspraak is reeds gemotiveerd uiteengezet waarom appellanten ten onrechte een beroep doen op het door het college gevoerde beleid met betrekking tot het verlenen van bijstand als geldlening vanwege vermogen in de eigen woning, waarbij een drempelbedrag € 1.200,- geldt waar beneden geen leenbijstand wordt verstrekt. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en maakt deze tot de zijne.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en A.M. Overbeeke en

F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J.T.P. Pot

HD