Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1200

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2014
Datum publicatie
15-04-2014
Zaaknummer
12-6134 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering Wubo-uitkering. Geen sprake van blijvende invaliditeit als gevolg van het aanvaarde oorlogsgeweld. Geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder, in het voetspoor van zijn geneeskundig adviseurs, heeft ingenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6134 WUBO

Datum uitspraak: 10 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 30 oktober 2012, kenmerk BZ01419293 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2014. Daar is namens appellant mr. Van Berkel verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren in 1945 in het toenmalige Nederlands-Indiƫ, heeft in oktober 2007 een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. Bij besluit van 6 februari 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 juni 2008, is deze aanvraag afgewezen. Daartoe is overwogen dat appellant weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo (te weten internering in De Wijk te Malang tijdens de Bersiap-periode), maar dat hij als gevolg van die gebeurtenis geen lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen dat heeft geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo. In dat verband is geoordeeld dat de uit het oorlogsgeweld voortkomende psychische klachten, bestaande uit een inslaapstoornis en concentratiestoornis bij een licht neurotische persoonlijkheid, slechts geringe beperkingen opleveren in het dagelijks functioneren van appellant. Ten aanzien van de lichamelijke klachten (rugklachten, visusklachten, knieklachten, bursitis, trigger finger en schildklierklachten) en de koude allergie heeft verweerder geoordeeld dat deze klachten constitutioneel bepaald zijn en niet gerelateerd kunnen worden aan het oorlogsgeweld. Tegen het besluit van 6 juni 2008 is geen beroep ingesteld.

1.2.

In juni 2011 heeft appellant op grond van toegenomen psychische klachten wederom een aanvraag ingediend om op grond van de Wubo in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. Bij besluit van 23 december 2011, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond - samengevat - dat er bij appellant (ook nu) geen sprake is van blijvende invaliditeit als gevolg van het aanvaarde oorlogsgeweld.

2.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Blijkens de gedingstukken heeft verweerder zijn standpunt in eerste instantie gebaseerd op het door de geneeskundig adviseur R.J. Roelofs, arts, uitgebracht advies, dat tot stand is gekomen na een door deze arts bij appellant verricht medisch onderzoek. Bij zijn advisering heeft Roelofs ook betrokken de verkregen informatie van de huisarts, informatie van de behandelende sector en het rapport van de arts J.J. Nasheed-Linssen die appellant naar aanleiding van de eerste aanvraag heeft onderzocht. Roelofs concludeert dat de psychische klachten van appellant wel zijn toegenomen, maar dat de huidige psychische klachten (stemmingsstoornis) duidelijk een andere oorzaak hebben dan het aanvaarde oorlogsgeweld. Zo vermeldt Roelofs dat appellant sterk gepreoccupeerd is met zijn identiteit en zijn achtergrond waarover voor appellant veel onduidelijkheid bestaat.

2.2.

In de bezwaarfase heeft appellant een rapport overgelegd van de arts G.J. Laatsch, die hem heeft onderzocht in het kader van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Vervolgens heeft verweerder appellant laten onderzoeken door prof. dr. R.J. van den Bosch, psychiater. Op basis van het rapport van Van den Bosch ziet de geneeskundig adviseur

A.M. Ohlenschlager, arts, geen reden om op het primair ingenomen standpunt terug te komen. Zo overweegt zij dat de essentie van de psychische keuring door Van den Bosch is dat de nu blijkbaar milde psychische klachten het gevolg zijn van de onzekerheid van appellant over zijn biologische afkomst, zoals primair ook is aangegeven. Er is geen persoonlijkheidsproblematiek en evenmin constateert Van den Bosch relevante psychische invalidering, aldus Ohlenschlager.

2.3.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze advisering deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de beschikbare gegevens zijn geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder, in het voetspoor van zijn geneeskundig adviseurs, heeft ingenomen. Uit de medische gegevens kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de huidige bij appellant aanwezige psychische klachten niet kunnen worden toegeschreven aan het oorlogsgeweld, maar duidelijk voortkomen uit de bij hem aanwezige onzekerheid over zijn afkomst. Het rapport van Laatsch heeft verweerder op goede gronden niet tot een ander oordeel kunnen leiden, met name omdat voor de AOR andere, ruimere, maatstaven gelden dan voor de toepassing van de Wubo. Voor het laten verrichten van een ander psychiatrisch onderzoek is geen aanleiding.

2.4.

De Raad merkt verder nog op dat verweerder, zoals door de vertegenwoordigster ter zitting is bevestigd, met het bestreden besluit niet bedoeld heeft terug te komen van het onder 1.1 beschreven standpunt.

2.5.

Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en het beroep ongegrond moet worden verklaard.

3.

Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en B.J. van de Griend en

R.C. Schoemaker als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) B. Rikhof

ew