Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1197

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2014
Datum publicatie
15-04-2014
Zaaknummer
13-6111 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Svb heeft het bedrag aan nabetaling van ouderdomspensioen terecht aan het Nieuw-Zeelandse orgaan, en niet aan appellant, uitbetaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/6111 AOW

Datum uitspraak: 4 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

6 november 2013, 13/1440 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te Auckland, Nieuw-Zeeland (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stuken ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren op 6 juni 1944, heeft, voordat hij samen met zijn

echtgenote in 1983 naar Nieuw-Zeeland emigreerde, in Nederland gewoond en/of gewerkt. In juni 2009 heeft appellant bij het Nieuw-Zeelandse uitvoeringsorgaan Work and Income een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Deze aanvraag is niet doorgezonden naar de Svb, omdat appellant weigerde een bankrekeningnummer te openen waar uitsluitend het Nieuw-Zeelandse orgaan beschikking over zou hebben. In het kader van een in maart 2011 rechtstreeks bij de Svb ingediende aanvraag om een ouderdomspensioen heeft appellant te kennen gegeven dat hij een Nieuw-Zeelands ouderdomspensioen ontvangt van € 500,- per 4 weken. De Svb heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat appellant zich moet wenden tot het Nieuw-Zeelandse orgaan.

1.2. Appellant heeft vervolgens aan de Svb kenbaar gemaakt dat hij

het AOW-pensioen niet in Nieuw-Zeeland wenst aan te vragen, omdat de betaling hiervan vervolgens niet aan hem rechtstreeks, maar aan het Nieuw-Zeelandse orgaan wordt overgemaakt. Het AOW-pensioen zal vervolgens worden verrekend met het Nieuw-Zeelandse pensioen, terwijl appellant meent recht te hebben op het volledige bedrag aan AOW-pensioen.

1.3. Bij besluit van 15 oktober 2012 heeft de Svb aan appellant een AOW-

pensioen en toeslag toegekend met ingang van juni 2009. Het maandelijks te ontvangen bedrag wordt overgemaakt op de bankrekening van appellant. De nabetaling van het

AOW-pensioen exclusief vakantiegeld bedraagt € 28.115,75 en wordt betaald aan het

Nieuw-Zeelandse orgaan.

1.4. Bij beslissing op bezwaar van 1 februari 2013 (bestreden besluit) heeft

de Svb het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het

bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, kort samengevat, overwogen dat uit het Administratief Akkoord behorend bij het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Nieuw-Zeeland van 30 juni 2000 (Verdrag) volgt dat nabetalingen aan AOW-pensioen aan het Nieuw-Zeelandse orgaan dienen te worden overgemaakt.

3.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat (de relevante bepalingen uit) het Verdrag en het Administratief Akkoord niet van toepassing zijn wegens strijd met artikel 26 van de AOW. Nu het Verdrag niet met de vereiste politieke instemming is goedgekeurd, is artikel 94 van de Grondwet niet van toepassing, aldus appellant.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de Svb het bedrag aan nabetaling van ouderdomspensioen terecht aan het Nieuw-Zeelandse orgaan, en niet aan appellant, heeft uitbetaald.

4.2.

In deel III, sectie 4, onder 7 van het onder 2 vermelde Administratief Akkoord is het volgende bepaald: “Any payment of arrears made by the Liaison Body of the Netherlands will be deposited in a bank account nominated by the Liaison Body of New Zealand.”

4.3.

De nabetaling is, overeenkomstig het bepaalde in het Administratief Akkoord, rechtstreeks overgemaakt aan het Nieuw-Zeelandse orgaan. Het Verdrag is bij wet van

6 februari 2003 (Stb. 2003/80) goedgekeurd door de Staten-Generaal en is op 1 november 2003 in werking getreden. Ter uitvoering van artikel 29 van het Verdrag is het Administratief Akkoord tot stand gekomen. Appellant kan dan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat het Verdrag niet op de juiste wijze parlementair is goedgekeurd.

4.4.

De onder 4.2 vermelde bepaling wordt, gelet op haar bewoordingen, aangemerkt als een ieder verbindende bepaling als bedoeld in artikel 93 van de Grondwet. Reeds gelet op het (in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet neergelegde) stelsel van rechtstreekse werking in de Nederlandse rechtsorde van bepalingen van verdragen die naar inhoud een ieder kunnen verbinden, mag geen toepassing worden gegeven aan artikel 26 van de AOW, daargelaten de vraag of dat artikel de Svb verbiedt de nabetaling aan het Nieuw-Zeelandse orgaan uit te betalen.

4.5.

Hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4. leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moeten worden bevestigd

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2014.

(getekend M.M. van der Kade

(getekend) R.L. Rijnen

CVG