Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1187

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2014
Datum publicatie
15-04-2014
Zaaknummer
12-3998 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:1909, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Plaatsing in functie 4. Appellant heeft de drie niveaubepalende elementen ‘coördinerende werkzaamheden’, ‘coaching’ en ‘verantwoordelijkheid voor dossiervorming in grootschalige / complexe onderzoeken’, die behoren bij de functie 3, niet substantieel en structureel uitgeoefend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3998 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 juni 2012, 11/4428 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

Datum uitspraak: 10 april 2014

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Midden- en West-Brabant, ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens appellant heeft mr. P. de Casparis hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Casparis. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. P.J.J.M. van der Heijden en mr. A.J. Groenendijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam in de functie van [naam functie]Met ingang van

1 januari 2008 zijn de functiebeschrijvingen in het regionale proces Opsporing van de politieregio Midden- en West-Brabant aangepast. Dat heeft ertoe geleid dat appellant bij besluit van 30 november 2007 met ingang van 1 januari 2008 is geplaatst in de functie van [naam functie 4]. Het bezwaar van appellant tegen deze plaatsing is ongegrond verklaard bij besluit van 30 november 2009. Appellant heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.

1.2. Bij uitspraak van 24 december 2010, 10/861, heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 november 2009 vernietigd voor zover daarbij was geweigerd appellant te plaatsen in de functie[naam functie 2], de korpschef opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de korpschef onvoldoende heeft gemotiveerd waarom appellant geen opgedragen werkzaamheden verrichtte op het niveau van [naam functie 3], waarna geen plaatsing in de functie van[naam functie 2] behoefde te volgen.

1.3. Bij besluit van 13 juli 2011 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar tegen het besluit 30 november 2007 wederom ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat appellant de drie niveaubepalende elementen ‘coördinerende werkzaamheden’, ‘coaching’ en ‘verantwoordelijkheid voor dossiervorming in grootschalige / complexe onderzoeken’, die behoren bij de functie van [naam functie 3], niet substantieel en structureel heeft uitgeoefend.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag in hoeverre de drie niveaubepalende elementen ‘coördinatie’, ‘coaching’ en ‘verantwoordelijkheid voor dossiervorming in grootschalige / complexe onderzoeken’ behoorden tot de werkzaamheden van appellant in het jaar voorafgaand aan diens plaatsing in de functie [naam functie 4].

3.2.

Met betrekking tot het element ‘coördinatie’ heeft appellant in hoger beroep gesteld dat het coördineren van werkzaamheden van anderen tot zijn dagelijkse activiteiten behoorde in het kader van zedenzaken. Zo nam hij meldingen aan, zette hij deze uit bij collega’s en bewaakte hij de voortgang. Uit die taken vloeit volgens appellant het geven van instructies, aanwijzingen en opdrachten rechtstreeks voort. Zijn werkzaamheden verschilden in dit opzicht volgens hem niet van die van de senior zedenrechercheurs. De korpschef heeft toegelicht dat weliswaar sprake was van het coördineren van werkzaamheden door appellant, maar dat niet is gebleken van verticaal coördinerende werkzaamheden in die zin dat appellant daarbij zeggenschap had over het werk van anderen.

3.3.

Appellant heeft naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk gemaakt dat hij substantiële verticaal coördinerende werkzaamheden heeft verricht. De door appellant genoemde werkzaamheden brengen niet mee dat hij zeggenschap had over het werk van anderen. Uit de in hoger beroep overgelegde verklaringen van de collega’s is dat evenmin af te leiden.

3.4.

Van het element ‘coachen’ is sprake als een medewerker verantwoordelijk is voor het functioneren als coach of mentor voor een collega. Appellant heeft gesteld dat de rechtbank eraan is voorbijgegaan dat hij door de leiding met het coachen van nieuwe medewerkers werd belast en dat hij als zodanig is opgeleid. Volgens de korpschef waren aan appellant in verband met het coachen geen bevoegdheden toegekend. Zo mocht hij zijn collega’s geen bindende aanwijzingen over hun werkzaamheden geven. Appellant werkte nieuwe collega’s in en dat mag van een ieder op het niveau van appellant worden verwacht.

3.5.

Uit de stukken volgt dat appellant voor zijn collega’s als vraagbaak fungeert en aan hen kennis en ervaring overdraagt. Ook heeft hij een nieuwe collega ingewerkt en wegwijs gemaakt. Evenals de rechtbank heeft overwogen is daarbij echter geen sprake geweest van coaching in de betekenis dat hem bevoegdheden waren toegekend als coach of mentor. In bezwaar heeft O., tactisch leidinggevende B van het team[naam team], daarover verklaard dat het coachen alsmede aansturing van medewerkers in de handen lag van een [naam functie 3]. De omstandigheid dat appellant de opleiding tot coach heeft gevolgd en het diploma heeft behaald, betekent niet dat het coachen in vorenbedoelde zin vervolgens ook onderdeel uitmaakte van zijn werkzaamheden.

3.6.

Voor wat betreft het element verantwoordelijkheid voor dossiervorming in grootschalige / complexe onderzoeken heeft appellant, onder verwijzing naar getuigenverklaringen, gesteld dat hij in zware en complexe zaken dossiers vormde, wat wordt bevestigd door de door appellant ingebrachte getuigenverklaringen. De korpschef heeft toegelicht dat het daarbij niet gaat om de vraag of iemand een dossier heeft gevormd, maar om de verantwoordelijkheid voor de dossiervorming in zaken met meerdere misdrijven en/of verdachten waarbij meerdere onderzoekslijnen worden gevolgd en waarbij de rechercheur eindverantwoordelijkheid draagt voor het werk van anderen. Weliswaar was appellant betrokken bij de dossiervorming in complexe en zware zaken, maar uit de stukken blijkt niet dat hij eindverantwoordelijk was voor het werk van anderen. In de getuigenverklaringen waarnaar appellant heeft verwezen, kan daarvoor geen bevestiging worden gevonden. Uit de omstandigheid dat appellant als enige zedenrechercheur de cursus dossiervorming heeft gevolgd kan niet worden afgeleid dat appellant de eindverantwoordelijkheid droeg voor het werk van anderen.

3.7.

Appellant heeft zich beroepen op het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar zijn collega J.S. die in het jaar voorafgaand aan 2008 niet aan de drie niveaubepalende elementen zou hebben voldaan, maar desondanks wel is geplaatst in de functie[naam functie 2]. De Raad kan zich verenigen met de overweging die de rechtbank hieraan heeft gewijd en verwijst daarnaar. Daaraan kan worden toegevoegd dat uit de door de korpschef op 3 oktober 2011 aan de rechtbank toegezonden verklaring van R volgt dat aan J.S. in 2006 en 2007 gedurende enkele maanden de verantwoordelijkheid voor de dagelijkse aansturing en coördinatie binnen de afdeling was opgedragen door haar leidinggevende.

3.8.

Voorts heeft appellant verwezen naar collega’s in de functie van[naam functie 2], die hebben verklaard dat er geen verschil bestond tussen de werkzaamheden die zij uitvoerden op de zedenafdeling en de werkzaamheden van appellant. Wat er ook zij van de werkzaamheden die zijn collega’s verrichtten en de vergelijking die zij maakten met het werk van appellant, uit die verklaringen kan niet worden afgeleid dat de drie niveaubepalende elementen - zoals deze blijkens het vorenstaande moeten worden begrepen - een structureel en substantieel onderdeel uitmaakten van de werkzaamheden van appellant.

4.

Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en R. Kooper en

J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2014.

(getekend) J.Th. Wolleswinkel

(getekend) P. Uijtdewillegen

HD