Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1176

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
10-04-2014
Zaaknummer
13-557 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijstand buiten behandeling gelaten. Appellante heeft niet de gevraagde gegevens over de erfenis verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/557 WWB

Datum uitspraak: 8 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van

20 december 2012, 12/801 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te[woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.J.A. Aerts hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 25 februari 2014, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 6 maart 2012 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand ingediend. Bij de aanvraag heeft appellante vermeld dat zij in 2011 een erfenis heeft gekregen van haar overleden moeder. In verband hiermee heeft het college bij brief van

14 maart 2012 appellante verzocht binnen een week, voor zover thans nog van belang, bewijsstukken van de erfenis te overleggen waaruit onder andere blijkt op welke datum appellante de erfenis heeft ontvangen en wat de hoogte van de erfenis is. Omdat appellante niet alle gevraagde gegevens heeft overgelegd, heeft het college op 27 maart 2012, voor zover van belang, appellante nogmaals verzocht binnen een week de gevraagde bewijsstukken te overleggen. In beide brieven heeft het college appellante er op gewezen dat de aanvraag buiten behandeling zal worden gelaten, indien appellante nalaat de gevraagde gegevens tijdig in te leveren.

1.2.

Bij besluit van 20 april 2012 heeft het college de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gelaten, op de grond dat appellante niet binnen de in de brief van 27 maart 2012 genoemde termijn de gevraagde gegevens heeft overgelegd.

1.3.

Bij besluit van 16 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 20 april 2012 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij voert aan dat zij niet van het college te horen heeft gekregen welke specifieke gegevens zij nog moest indienen teneinde de beoordeling van de aanvraag om bijstand mogelijk te maken. Appellante stelt dat zij met een door haar op 15 maart 2012 aan het college verzonden e-mailbericht de gevraagde gegevens over de erfenis heeft verstrekt. Het lag vervolgens op de weg van het college, zo nodig, aan appellante een nadere toelichting te vragen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Niet in geschil is dat het college op goede gronden om bewijsstukken van de erfenis heeft verzocht. Op 15 maart 2012 heeft appellante een e-mailbericht van 14 maart 2012 van haar broer doorgestuurd naar het college. In dat e-mailbericht van 14 maart 2012 heeft de broer van appellante een toelichting gegeven op de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder van appellante.

4.3.

Het college heeft dit e-mailbericht terecht niet als het gevraagde bewijsstuk van de erfenis aangemerkt, omdat daaruit niet objectief en verifieerbaar blijkt op welke datum appellante de erfenis heeft ontvangen en wat de hoogte van de erfenis was.

4.4.

Nu appellante ook na het herhaalde verzoek van 27 maart 2012 niet de gevraagde gegevens over de erfenis heeft verstrekt, was het college op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bevoegd de aanvraag van appellante buiten behandeling te laten. Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om te oordelen dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) G.J. van Gendt

JvC