Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1171

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
10-04-2014
Zaaknummer
13-324 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Langer verblijf in het buitenland dan de toegestane vakantieperiode. Te laat gemeld. Schending inlichtingenverplichting. Geen schending vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/324 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

5 december 2012, 12/2479 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.A.M. Hampsink, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter zitting aan de orde gesteld op 25 februari 2014. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 22 maart 2012 heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 19 augustus 2011 tot en met 15 september 2011 ingetrokken. Daaraan is ten grondslag gelegd dat zij gedurende die periode langer dan de toegestane vakantieperiode in het buitenland heeft verbleven. Daarnaast heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van netto € 969,72 van haar teruggevorderd. Bij besluit van 10 april 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 22 maart 2012 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat aan de afstemmingsbrief van 20 september 2011 geen rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend ten aanzien van de intrekking en terugvordering. Voorts is niet gebleken van dringende redenen of bijzondere omstandigheden om van terugvordering af te zien.

3.

In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellante, samengevat, aangevoerd dat zij heeft doorgegeven dat zij niet eerder van vakantie uit het buitenland kon terugkeren, dat haar is toegezegd dat de overschrijding van de vakantieperiode geen gevolgen zal hebben voor haar uitkering en dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet werk en bijstand (WWB) heeft geen recht op bijstand degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland.

4.2.

Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.3.

Uit de stukken blijkt dat appellante op 6 juli 2011 op een formulier ‘Verblijf in het buitenland’ van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) heeft doorgegeven dat zij van 22 juli 2011 tot en met 15 augustus 2011 met vakantie naar het buitenland gaat. Door de behandelend ambtenaar van de DWI is op datzelfde formulier aangetekend dat dit verblijf is toegestaan en dat dit het lopende traject niet belemmert. Op

30 augustus 2011 is namens appellante telefonisch meegedeeld dat zij wegens ziekte nog in Duitsland verblijft. Appellante is vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 6 september 2011 omdat zij na de opgegeven vakantieperiode niet op haar trajectwerkplek is teruggekeerd. Nadat zij aan deze oproep geen gehoor had gegeven is zij op 19 september 2011 nogmaals schriftelijk uitgenodigd voor een zogenoemd afstemmingsgesprek, waarbij een eventuele verlaging van de bijstand aan de orde zou komen. Appellante is daar verschenen. Bij brief van 20 september 2011 heeft een medewerker van DWI aan appellante meegedeeld dat zij niet tijdig melding heeft gemaakt van haar langer verblijf in het buitenland, dat bij het niet naleven van een dergelijke verplichting de bijstand in principe eenmalig met € 200,- wordt verlaagd, maar dat dit deze keer geen gevolgen heeft voor de uitkering.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante vanaf 19 augustus 2011 langer dan de ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB toegestane periode buiten Nederland verblijf hield.

4.5.

Uit wat in 4.3 is overwogen volgt allereerst dat pas acht dagen na het verstrijken van de toegestane vakantieperiode in het buitenland namens appellante aan de DWI telefonisch is doorgegeven dat zij nog steeds in het buitenland verblijf hield. Vaststaat dat dit gegeven van belang is voor de beoordeling van (de voortzetting van) het recht op bijstand, zodat appellante gehouden was deze informatie tijdig te verstrekken. Nu dit niet is gebeurd heeft appellante reeds daarom de wettelijke op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. De daarop betrekking hebbende beroepsgrond treft dan ook geen doel.

4.6.

Appellante heeft voorts onder verwijzing naar de brief van 20 september 2011 een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 7 augustus 2012, ECLI:N:CRVB:2012:BX3805) alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.

4.7.

Allereerst moet worden opgemerkt dat de omstandigheid dat het college ondanks de schending van de inlichtingenverplichting door appellante ervan heeft afgezien een bestraffende sanctie op te leggen, in die zin dat op de lopende bijstandsuitkering geen verlaging wordt toegepast, onverlet laat dat het college bevoegd is de bijstand in te trekken en gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen over de periode gedurende welke zij langer dan de toegestane periode in het buitenland heeft verbleven. Onderschreven wordt het oordeel van de rechtbank dat appellante aan de brief van 20 september 2011 geen rechtens te honoreren verwachting kon ontlenen dat de gemaakte kosten van bijstand over bedoelde periode niet van haar zouden worden teruggevorderd. Weliswaar kan de zinsnede in deze brief “dat dit deze keer geen gevolgen heeft voor uw uitkering” op zichzelf voeding geven aan de gedachte dat appellante hiermee geheel “wegkwam”, maar gelezen in de context van de brief - die onmiskenbaar aansloot op het voorafgaande afstemmingsgesprek van

19 september 2011- moet ook voor appellante redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat het hier enkel het afzien van een maatregel in de zin van een bestraffende sanctie betrof. Bovendien is in deze brief op geen enkele wijze aangegeven dat er tevens reden was om van intrekking en terugvordering van de bijstand over periode van langer verblijf in het buitenland af te zien. Dat het college vervolgens uiteindelijk nog tot 22 maart 2012 heeft gewacht met het nemen van een besluit tot intrekking en terugvordering over de betreffende periode is wellicht wat ongelukkig te noemen, maar brengt niet mee dat op een onredelijke wijze gebruik is gemaakt van de bevoegdheid tot intrekking en terugvordering. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

4.8.

In wat appellante heeft aangevoerd liggen geen dringende redenen besloten op grond waarvan het college zou moeten afzien van gehele of gedeeltelijke terugvordering. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de terugvordering voor haar tot onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties leidt. Voor zover de gestelde financiële problemen al niet toegeschreven moeten worden aan de invordering van andere schulden, heeft zij als schuldenaar in ieder geval de bescherming gehad of kunnen inroepen van de wettelijke regels over de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Overigens blijkt uit de stukken dat de betreffende schuld aan het college door middel van inhouding op de bijstand inmiddels volledig is afgelost. Ook deze beroepsgrond faalt.

4.9.

Uit wat in 4.3 tot en met 4.8 is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van

C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

8 april 2014.

(getekend0) R.H.M. Roelofs

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

JvC