Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1169

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
10-04-2014
Zaaknummer
13-375 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Hennepkwekerij. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/375 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van

3 december 2012, 12/772 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Bellingwedde (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2014. Voor appellant is

mr. Bakker verschenen. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving van het college sinds 23 april 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Met ingang van 6 juni 2011 is appellant verhuisd naar Nijmegen.

1.2.

Uit een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand is naar voren gekomen dat medio februari 2011 op de bovenverdieping van de toenmalige woning van appellant op het adres [adres] in [B.] een kwekerij met 123 hennepplanten is aangetroffen. Appellant heeft daarover op 22 februari 2011 bij de politie en op 5 oktober 2011 tegenover twee sociaal rechercheurs verklaringen afgelegd. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 9 november 2011.

1.3.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 5 december 2011 de bijstand van appellant over de periode van 1 december 2010 tot en met 28 februari 2011 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van

€ 3.003,82 van appellant teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant werkzaamheden heeft verricht in een hennepkwekerij zonder daarvan mededeling te doen bij het college met als gevolg dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Bij besluit van 6 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 5 december 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij, samengevat, aangevoerd dat appellant door derden is gedwongen toe te staan dat in zijn woning een hennepkwekerij werd geëxploiteerd, dat hij zelf geen werkzaamheden heeft verricht of inkomsten heeft ontvangen en (subsidiair) dat teruggerekend vanaf de ontmanteling de kwekerij hooguit twee maanden in bedrijf is geweest.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vooropgesteld wordt dat de passage in rechtsoverweging 5 van de aangevallen uitspraak over het voeren van een gezamenlijke huishouding in de periode van 1 juli 2010 tot en met 31 januari 2012 een kennelijke misslag betreft. De Raad zal de daarop betrekking hebbende zinsnede dan ook als niet geschreven beschouwen.

4.2.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat appellant ten tijde in geding betrokken was bij de exploitatie van een hennepkwekerij, reeds omdat hij daarvoor een ruimte in zijn woning beschikbaar heeft gesteld. Vaststaat dat hij daarvan in strijd met de wettelijke inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt bij het college. Dat appellant door derden is gedwongen aan de exploitatie van een hennepkwekerij in zijn woning medewerking te verlenen heeft hij op geen enkele wijze, bijv. met een tijdige aangifte bij de politie, aannemelijk gemaakt. Hetzelfde geldt voor zijn stelling dat hij in het geheel geen inkomsten of vergoeding voor (zijn medewerking aan) de exploitatie van de hennepkwekerij heeft ontvangen. Dit roept te meer vraagtekens op nu hij zelf tegenover de politie heeft erkend dat tenminste eenmaal hennep is geoogst in zijn woning.

4.3.

Hoe lang de hennepkwekerij precies in bedrijf is geweest - appellant heeft zelf verklaard 73 dagen, een fraude-inspecteur heeft vastgesteld dat 61 dagen illegaal elektriciteit is

afgetapt - kan en zal de Raad in het midden laten. Los van een gebruikelijk mede in aanmerking te nemen voorbereidingsperiode staat immers vast dat, zo de stelling van appellant al wordt gevolgd dat de werkingsperiode van de kwekerij beperkt is gebleven tot hooguit twee maanden teruggerekend vanaf medio februari 2011, de activiteiten met betrekking tot de hennepkwekerij zich in ieder geval hebben uitgestrekt over december 2010, januari 2011 en februari 2011. Volgens artikel 45, eerste lid, van de WWB wordt de algemene bijstand per kalendermaand vastgesteld. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de drie genoemde maanden waarin hij was betrokken bij de hennepkwekerij in verband daarmee in het geheel geen inkomsten of vergoeding heeft ontvangen. Ook later is hij in gebreke gebleven aan de hand van administratieve gegevens of anderszins te staven dat hij, bij nakoming van de inlichtingenverplichting, recht op aanvullende bijstand zou hebben gehad. De conclusie moet dan ook zijn dat het college bevoegd was de bijstand over genoemde maanden in te trekken omdat het recht op bijstand over die periode niet is vast te stellen. Daarbij wordt nog opgemerkt dat het voor rekening en risico van appellant moet worden gelaten dat hij ook nadien niet in staat is gebleken een en ander met objectieve en verifieerbare gegevens te onderbouwen.

4.4.

Tegen de terugvordering zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd.

4.5.

Uit wat in 4.2 tot en met 4.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van

C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

8 april 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

IJ