Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1167

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
10-04-2014
Zaaknummer
12-5729 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering IVA-uitkering. De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 1 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken procesbelang. Aangezien appellant veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente had gevorderd. De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5729 WIA

Datum uitspraak: 9 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank ̕ s-Gravenhage van

16 maart 2012 en 10 september 2012, 11/7112 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2014. Namens appellant is verschenen mr. Van Es. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 17 maart 2009 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als tuinbouwmedewerker wegens spier-, pees-, gewrichts- en vermoeidheidsklachten.

1.2. Bij besluit van 4 februari 2011 heeft het Uwv appellant met ingang van 15 maart 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Daarbij is het dagloon op € 118,77 vastgesteld. Het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 27 juli 2011 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 16 maart 2012 als volgt overwogen.

2.1.

Uit de onderzoeken van de verzekeringsartsen zijn voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel te komen omtrent de voor appellant geldende beperkingen. De door appellant in beroep overgelegde medische gegevens geven geen aanleiding voor een ander oordeel. Het Uwv heeft appellant dan ook terecht een

IVA-uitkering onthouden en heeft in het geval van appellant, mede gelet op de Standaard verminderde arbeidsduur, terecht geen medische urenbeperking in aanmerking genomen.

2.2.

De belastbaarheid van de geduide functies past binnen de opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst. Voor zover er sprake is van signaleringen heeft de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 3 februari 2011 afdoende gemotiveerd waarom deze geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellant op de in geding zijnde datum.

2.3.

De stelling van appellant dat de functie van inpakker (handmatig) ten onrechte niet bij de schatting is betrokken, wordt verworpen. De functievolgorde van de eerste drie functies is terecht zodanig vastgesteld dat de hoogst mogelijke theoretische verdiencapaciteit wordt gerealiseerd.

2.4.

Met betrekking tot het dagloon heeft het Uwv evenwel een onvoldoende motivering gegeven voor de wijze waarop dit is vastgesteld. Het Uwv is vervolgens in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen en verder is iedere beslissing aangehouden.

3.

Bij besluit van 22 juni 2012 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het aan de WGA-uitkering ten grondslag gelegde dagloon verhoogd tot € 173,67. Voor het overige heeft het Uwv bestreden besluit 1 gehandhaafd.

4.

Bij uitspraak van 10 september 2012 heeft de rechtbank het beroep van appellant voor zover gericht tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van het beroep tegen dit besluit. Aangezien appellant geen gronden meer heeft aangevoerd tegen de vaststelling van het dagloon in bestreden besluit 2, heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Wel heeft de rechtbank aanleiding gezien om het Uwv te veroordelen in de door appellant in beroep gemaakte proceskosten.

5.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het beroep tegen bestreden besluit 1 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard en voor het overige zijn gronden in beroep herhaald. Kort gezegd is appellant van mening dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt dient te worden geacht en dat hem ten onrechte geen IVA-uitkering is toegekend.

5.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.

6.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

Voor de toepasselijke wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de tussenuitspraak van 16 maart 2012.

6.2.

De rechtbank heeft ten onrechte het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard. Appellant had immers nog wel belang bij een beoordeling van bestreden besluit 1 aangezien hij de veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente had gevorderd. In zoverre slaagt het hoger beroep en zal de uitspraak van 10 september 2012 worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep tegen bestreden besluit 1 daarom gegrond worden verklaard en zal bestreden besluit 1 worden vernietigd. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft het Uwv toegezegd over te gaan tot vergoeding van de wettelijke rente in verband met de verhoging van het dagloon, waarop appellant genoemde vordering heeft ingetrokken voor zover het gaat om de wettelijke rente over de nabetaling die voortvloeit uit bestreden besluit 2.

6.3.

Met betrekking tot bestreden besluit 2 heeft appellant in hoger beroep volstaan met een enkele herhaling van de reeds in beroep aangevoerde gronden, zonder toe te lichten waarom de hieraan gewijde overwegingen van de rechtbank in genoemde uitspraken onjuist zijn. In deze gronden ziet de Raad evenmin aanknopingspunten voor een ander oordeel. In hoger beroep heeft appellant ook geen (medische) stukken overgelegd die moeten leiden tot een ander oordeel. Het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit 2 en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen in de aangevallen uitspraken worden dan ook onderschreven.

6.4.

In aanvulling op het onder 2.3 weergegeven oordeel van de rechtbank wordt nog overwogen dat de tekst van het Schattingsbesluit niet dwingt tot selectie van de drie functies, die ieder voor zich - zonder ook de reductiefactor in ogenschouw te nemen - de hoogste loonwaarde vertegenwoordigen, doch tot een selectie van functies die, zo nodig met verdiscontering van de reductiefactor, resulteert in een zo groot mogelijke resterende verdiencapaciteit per uur (zie CRvB 3 februari 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO5192).

6.5.

Uit 6.3 en 6.4 volgt dat de aangevallen uitspraken, voor zover betrekking hebbend op bestreden besluit 2, dienen te worden bevestigd. Omdat het hoger beroep voor het overige niet slaagt, volgt uit artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente in dit verband niet mogelijk is, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

7.

Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 974,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de uitspraak van 10 september 2012 voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 27 juli 2011 niet-ontvankelijk is verklaard;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 juli 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

- bevestigt de aangevallen uitspraken voor het overige;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 974,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 115,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en M. Greebe en

C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2014.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) H.J. Dekker

JL