Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:116

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2014
Datum publicatie
23-01-2014
Zaaknummer
12-2003 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en beëindiging AOW-pensioen op grond van artikel 8b AOW omdat aan appellant rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Geen sprake van schending van artikel 1 van het Eerste Protocol. Ontneming van eigendom? De wetgever heeft ervoor gekozen om het onderscheid tussen gedetineerden met een ouderdomspensioen en gedetineerden met andere sociale uitkeringen op te heffen, omdat het de bedoeling van de wetgever is dat voortaan geen enkele categorie gedetineerden gedurende detentie vermogen op kan bouwen dankzij uit de collectieve middelen bekostigde uitkeringen. De Raad acht dit een legitiem doel dat mede kan worden nagestreefd door toepassing van artikel 8b van de AOW. Er is dan ook geen grond om de toepassing van artikel 8b van de AOW in het kader van een toetsing aan het Eerste Protocol anders te beoordelen dan de toepassing van de Wsg. Geen onevenwichtige afweging ten grondslag ligt tussen de gediende gemeenschapsbelangen en het ingeroepen fundamentele recht, dan wel dat er geen redelijke proportionaliteitsrelatie bestaat tussen de gekozen middelen en het beoogde doel. Geen strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol. Geen aanleiding aan te nemen dat in de onderhavige situatie een langere overgangstermijn dan zes maanden aangewezen zou zijn. Terugwerkende kracht. Geen dringende redenen af te zien van intrekking. Schending inlichtingenplicht door detentie niet te melden. Begunstigend beleid op consistente wijze gepast.

Wetsverwijzingen
Algemene Ouderdomswet
Algemene Ouderdomswet 8b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2014/272
PJ 2014/106
USZ 2014/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2003 AOW

Datum uitspraak: 17 januari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

15 maart 2012, 11/3620 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft[naam bewindvoerder] hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant heeft H.M.S. Cremers, advocaat en opvolgend gemachtigde van appellant, nadere stukken ingediend.

Op verzoek van appellant en met toestemming van de Svb heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

OVERWEGINGEN

1.1. De Svb heeft op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) met ingang van

januari 2009 een ouderdomspensioen aan appellant toegekend. Appellant is op 26 mei 2009 aangehouden in verband met brandstichting. Hij is van 26 mei tot 1 september 2009, aanvankelijk in comateuze toestand, in een ziekenhuis ondergebracht. Op 1 juli 2009 zijn de artikelen 8b en 64b van de AOW in werking getreden. Op 9 juli 2009 is[naam bewindvoerder] benoemd als bewindvoerder en wel tot 31 december 2009 omdat appellant als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat was zelf ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Sinds 1 september 2009, heeft appellant in een gevangenis verbleven. In maart 2011 heeft de Svb vernomen dat appellant gedetineerd was.

1.2. Bij besluit van 1 juni 2011 heeft de Svb het ouderdomspensioen van appellant vanaf januari 2010 herzien en beëindigd op de aan artikel 8b van de AOW ontleende grond dat aan appellant ten minste sinds 30 juni 2009 rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

1.3. Bij besluit van 13 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 juni 2011 ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is het standpunt verworpen dat de Svb artikel 8b van de AOW buiten toepassing had moeten laten wegens strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.

In hoger beroep heeft appellant zich opnieuw op het standpunt gesteld dat de Svb artikel 8b van de AOW bij het bestreden besluit buiten toepassing had moeten laten wegens strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol. Appellant heeft voorts gesteld dat hij ten onrechte anders wordt behandeld dan personen met een staatspensioen zoals ambtenaren. De AOW, waarvoor hij verplicht premie heeft betaald, moet worden vergeleken met het pensioen van ambtenaren. Deze pensioenen worden niet ingehouden als de betrokkene gedetineerd raakt. Hij wordt ook onterecht anders behandeld dan personen jonger dan 65 jaar die een inkomen hebben uit bedrijf of uit beleggingen. Zij hoeven geen bijdrage te betalen voor hun verblijf in de gevangenis. Appellant heeft tot slot gesteld dat geen rekening is gehouden met de bijzondere omstandigheden van appellant zoals het feit dat de wisselende verblijfplaats van appellant niet door het Openbaar Ministerie aan de Svb is doorgegeven, het feit dat hij enige tonnen aan schulden heeft en het feit dat de bewindvoering eindigde op het moment waarop voor het eerst sprake was van de beweerde oneigenlijke AOW-betaling.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge het per 1 juli 2009 ingevoerde artikel 8b, tweede lid van de AOW eindigt het recht op ouderdomspensioen indien de pensioengerechtigde rechtens zijn vrijheid is ontnomen gedurende ten minste een maand. In artikel 64 van de AOW is een overgangstermijn van zes maanden neergelegd voor personen aan wie ten tijde van de inwerkingtreding van deze bepaling reeds de vrijheid was ontnomen. Artikel 64 van de AOW bepaalt dat ten aanzien van de persoon wiens vrijheid op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van artikel 8b reeds rechtens was ontnomen, voor de toepassing van dat artikel als eerste dag waarop de vrijheidsontneming plaatsvindt, wordt aangemerkt de dag van inwerkingtreding van artikel 8b en het recht op ouderdomspensioen in afwijking van artikel 8b, tweede lid, eindigt vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming zes maanden heeft geduurd. De beëindiging gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming als bedoeld in de eerste zin zes maanden heeft geduurd.

4.2.

Vast staat dat de Svb in overeenstemming met artikel 8b, tweede lid en artikel 64 van de AOW het ouderdomspensioen van appellant met ingang van januari 2010 heeft beëindigd op de grond dat aan appellant rechtens zijn vrijheid is ontnomen. In geding is of de bij het bestreden besluit gehandhaafde toepassing van artikel 8b en artikel 64 van de AOW vanaf januari 2010 verenigbaar is met artikel 1 van het Eerste Protocol.

4.3.

In de eerste twee volzinnen van artikel 1 van het Eerste Protocol is bepaald dat iedere natuurlijke of rechtspersoon recht heeft op het ongestoord genot van zijn eigendom (‘possessions’). Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. Onder ‘possessions’ moet niet alleen worden verstaan bestaande bezittingen, maar ook vermogensbestanddelen, met inbegrip van aanspraken, met betrekking waartoe de betrokkene kan onderbouwen dat hij ten minste een gerechtvaardigde verwachting heeft dat die zullen worden gerealiseerd. Als sprake is van ‘possessions’ en daarmee van ontneming van eigendom als bedoeld in de tweede zin van artikel 1 van het Eerste Protocol, moet worden getoetst of aan de in dat artikel geformuleerde voorwaarden voor die eigendomsontneming is voldaan. Daarbij dient allereerst te worden beoordeeld of de inbreuk op de bestaande aanspraak bij wet is voorzien. Vervolgens dient te worden beoordeeld of de eigendomsontneming een legitieme doelstelling heeft in het algemeen belang en ten slotte of er een behoorlijk evenwicht is behouden tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu, een en ander onder erkenning van een ruime beoordelingsmarge die de Staat heeft bij de hantering van deze criteria. Aan het proportionaliteitsvereiste wordt niet voldaan als het individu door de inbreuk een onevenredig zware last (“an individual and excessive burden”) moet dragen.

4.4.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit leidt tot een inbreuk op het eigendomsrecht van appellant, maar niet tot schending van artikel 1 van het Eerste Protocol. De door appellant aangevochten inbreuk op zijn eigendomsrecht is bij wet voorzien, nu deze inbreuk direct volgt uit toepassing van de dwingendrechtelijke artikelen 8b en 64 van de AOW. Totdat artikel 8b van de AOW per 1 juli 2009 in werking trad, werd er onderscheid gemaakt tussen aan de ene kant gedetineerden met een uitkering, die ingevolge de Wet socialezekerheidsrechten gedetineerden (Wsg) gedurende detentie wordt stopgezet, en aan de andere kant gedetineerden met een ouderdomspensioen op grond van de AOW. Tot dat moment voorzag de AOW namelijk niet in de beëindiging van ouderdomspensioenen gedurende detentie. Toepassing van de Wsg leidt volgens vaste rechtspraak in overwegende mate niet tot schending van artikel 1 van het Eerste Protocol. De Raad herinnert in dit verband aan zijn uitvoerig gemotiveerde uitspraken van 18 juni 2004 (ECLI:NL:CRVB:2004:AP4680), van 12 november 2004 (ECLI:NL:CRVB:2004:AR6512), van 14 juli 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AT9595) en van 2 december 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:A47320). Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 8b van de AOW (Kamerstukken II 31525, nr. 3, p. 3) is af te leiden dat de wetgever ervoor heeft gekozen om het onderscheid tussen gedetineerden met een ouderdomspensioen en gedetineerden met andere sociale uitkeringen op te heffen, omdat het de bedoeling van de wetgever is dat voortaan geen enkele categorie gedetineerden gedurende detentie vermogen op kan bouwen dankzij uit de collectieve middelen bekostigde uitkeringen. De Raad acht dit een legitiem doel dat mede kan worden nagestreefd door toepassing van artikel 8b van de AOW. Er is dan ook geen grond om de toepassing van artikel 8b van de AOW in het kader van een toetsing aan het Eerste Protocol anders te beoordelen dan de toepassing van de Wsg.

Gelet op de beweegredenen van de wetgever en de ruime beoordelingsmarge die de Staat in deze toekomt, kan niet staande worden gehouden dat aan artikel 8b van de AOW een onevenwichtige afweging ten grondslag ligt tussen de gediende gemeenschapsbelangen en het ingeroepen fundamentele recht, dan wel dat er geen redelijke proportionaliteitsrelatie bestaat tussen de gekozen middelen en het beoogde doel. Van feiten of omstandigheden die meebrengen dat toepassing van artikel 8b van de AOW voor appellant leidt tot een ‘individual and excessive burden’ is niet gebleken.

4.5.

Appellant heeft betoogd dat artikel 8b, tweede lid, van de AOW in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol. Hij heeft daartoe gesteld dat onterecht onderscheid wordt gemaakt tussen personen met een AOW-pensioen en ambtenaren met een pensioen. Appellant wordt niet gevolgd in deze stelling. Uit de parlementaire stukken blijkt dat de doelstelling van de Wsg is om de ongelijke behandeling tussen rechtens van hun vrijheid beroofde werkenden en uitkeringsgerechtigden te beëindigen. Men achtte het onwenselijk dat gedetineerden een sociale zekerheidsuitkering blijven ontvangen, terwijl in hun levensonderhoud al wordt voorzien door de staat, en werkenden hun inkomen uit werk verliezen. Om dat uitgangspunt duidelijk vorm te geven, lag het voor de hand de Wsg te beperken tot loondervingsuitkeringen in engere zin. De AOW valt daar niet onder. Zoals in 4.4 uiteen is gezet, ziet de wetgever thans geen grond meer voor die uitzondering die is gemaakt voor de AOW, waarbij het aspect van de dubbele betaling meer op de voorgrond staat. De wetgever acht het onwenselijk de betalingen van de AOW voort te zetten terwijl al in het levensonderhoud wordt voorzien door de staat. Voor pensioenen die in aanvulling op de publiekrechtelijke AOW worden betaald door privaatrechtelijke pensioenfondsen, zoals het ambtenarenpensioenfonds (de Stichting Pensioenfonds ABP), geldt niet dat de staat daarmee tweemaal in het levensonderhoud voorziet. Ook de vergelijking met personen die een inkomen hebben uit bedrijf of uit beleggingen, kan appellant niet baten. Enerzijds verliest ook een ondernemer zijn mogelijkheden om inkomen door arbeid te genereren en anderzijds is er bij degenen die van hun vermogen leven, geen sprake van een dubbele voorziening van de zijde van de staat. Zij genieten immers geen publiekrechtelijke uitkering. Aangezien het doel van de regeling ook was personen in detentie in zoverre gelijk te behandelen dat er geen groep met een uitkering in detentie meer is, kan de gebruikte bepaling niet als ongelijk behandelend worden betiteld.

4.6.

Met betrekking tot appellants stelling dat de beëindiging te kort volgt op het eindigen van het bewindvoerderschap van [naam bewindvoerder], wordt als volgt overwogen. In de uitspraak van

18 juni 2004 (ECLI:NL:CRVB:2004:AP4680) heeft de Raad geconcludeerd dat de intrekking van de uitkering met ingang van 1 juni 2000 van degenen die ten tijde van de inwerkingtreding van de Wsg op 1 mei 2000 reeds een uitkering ontvingen en aan wie op die datum hun vrijheid reeds was ontnomen, in strijd moet worden geacht met artikel 1 van het Eerste Protocol. Ten overvloede is in die uitspraak overwogen dat een overgangstermijn van zes maanden vanaf de inwerkingtreding van de Wsg daarmee wel in overeenstemming zou kunnen worden geacht. Anders dan in de in die uitspraak aan de orde zijnde Wsg, is bij de invoering van artikel 8b van de AOW een overgangstermijn van zes maanden opgenomen in artikel 64 van de AOW. Daaraan doet niet af dat appellant ten tijde van inwerkingtreding van artikel 8b van de AOW, op 1 juli 2009, in een ziekenhuis verbleef. Appellant heeft per

9 juli 2009 een bewindvoerder gekregen, die tot taak had de vermogensrechtelijke belangen van appellant te behartigen. De Raad ziet in deze korte periode van negen dagen waarin appellant mogelijk om medische redenen niet op de hoogte was van de aankomende beëindiging van de AOW en er nog geen bewindvoerder was, geen aanleiding aan te nemen dat in de onderhavige situatie een langere overgangstermijn dan zes maanden aangewezen zou zijn. Uit 4.1 tot en met 4.6 blijkt dat appellant met ingang van 1 januari 2010 geen recht op uitkering meer had.

4.7.

Met betrekking tot de vraag of de Svb het recht op uitkering met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2010 kon herzien, overweegt de Raad als volgt. Uit artikel 17a, eerste lid, van de AOW volgt dat indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de Svb gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Ingevolge het tweede lid van artikel 17a van de AOW kan van herziening of intrekking om dringende redenen worden afgezien. Het gaat bij dringende redenen om incidentele uitzonderingen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt. De Raad is van oordeel dat dergelijke dringende redenen zich in dit geval niet voordoen.

4.8.

De Svb heeft beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend. Voorts blijkt uit de beleidsregels van de Svb dat met toepassing van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel of gedeeltelijk van herziening wordt afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel leiden dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is.

4.9.

Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van

5 november 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO3352), moet het door de Svb ter zake gevoerde beleid aangemerkt worden als een buitenwettelijk, begunstigend beleid. Immers, ingevolge artikel 17a van de AOW dient het recht op uitkering altijd te worden herzien, indien ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verleend. Naar vaste rechtspraak dient een dergelijk buitenwettelijk begunstigend beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.

4.10.

De Raad is niet gebleken dat de Svb voormeld beleid in deze zaak niet consistent heeft toegepast. Aan appellant moet worden toegegeven dat hij ten tijde van de wetswijziging niet of lastig aan zijn inlichtingenplicht kon voldoen omdat hij - mogelijk nog in comateuze toestand - in een ziekenhuis verbleef. Er was voorts nog geen bewindvoerder aangewezen. Echter, vanaf 9 juli 2009 kon de bewindvoerder en vanaf 1 januari 2010 kon appellant zelfstandig inlichtingen verstrekken aan de Svb. Op enig moment na de inwerkingtreding van artikel 8b van de AOW per 1 juli 2009 had het appellant, dan wel de bewindvoerder, redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat zijn detentie een voor de Svb relevante omstandigheid was die hij onverwijld diende te melden aan de Svb. Daarbij is van belang dat in de media artikelen over deze wetswijziging zijn verschenen, dat de Svb in zijn informatieblad

“Uw AOW/ANW” er aandacht aan heeft besteed en dat deze informatie voor personen

- verblijvend en werkend - in penitentiaire inrichtingen in het bijzonder van belang was.

Appellant heeft niet voldaan aan deze inlichtingenplicht. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in zijn geval sprake is van een kennelijke onredelijke toepassing van artikel 17a van de AOW als bedoeld in voornoemd beleid van de Svb. De AOW-uitkering is dan ook terecht met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 herzien.

5.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant strandt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen grond.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L de Vries en

E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2014.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) S. Aaliouli

HD