Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1155

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2014
Datum publicatie
17-04-2014
Zaaknummer
12-4099 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op grond van eerdere in rechte onaantastbare besluiten in het kader van de WAO moest appellant - nu de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling bij de WAO vergelijkbaar is met die van de Wet Wajong - in staat worden geacht om op de datum in geding en tevens gedurende minimaal vier weken na 4 november 2002 meer dan 75% van het maatmaninkomen ingevolge de Wet Wajong te verdienen. Dit heeft tot gevolg dat hij niet arbeidsongeschikt is gebleven in de zin van de Wet Wajong. Aanvraag Wet Wajong terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4099 WWAJ

Datum uitspraak: 4 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van

28 juni 2012, 12/211 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dieters. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is geboren op 23 april 1974. Hij volgde het laatste jaar van de opleiding HTS en werkte in het kader van een stage bij[BV 1] B.V. als medewerker kwaliteitszorg, toen hem op 10 maart 2000 een motorongeval overkwam. Hij liep hierbij een hersenkneuzing en sleutelbeenfractuur op en heeft zich daarom ziek gemeld voor zijn werk.

1.2. Het Uwv heeft aan appellant vervolgens op zijn verzoek met ingang van 12 maart 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herkeuring heeft het Uwv bij besluit van 11 maart 2002 de WAO-uitkering beëindigd met ingang van 6 mei 2002, omdat appellant vanaf die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt. Dit besluit staat in rechte vast.

1.3. Appellant is vervolgens in een voltijds dienstverband gaan werken als sales coördinator bij [BV 2] B.V. Op 4 november 2002 heeft appellant zich ziek gemeld wegens oververmoeidheid. In het kader van de Ziektewet (ZW) is hij beoordeeld door een verzekeringsarts die hem met ingang van 6 mei 2003 hersteld heeft verklaard. Het door appellant gemaakte bezwaar tegen de daarop gevolgde weigering hem ziekengeld te verlenen, is ongegrond verklaard.

1.4. Op 7 april 2005 heeft appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld met ingang van 4 november 2002 in de zin van artikel 43a van de WAO. Bij besluit van 15 april 2005 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hem geen WAO-uitkering wordt toegekend na een wachttijd van vier weken, omdat er geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak. Ook het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard.

1.5. De tegen de onder 1.3 en 1.4 genoemde beslissingen op bezwaar door appellant ingestelde beroepen zijn beide ongegrond verklaard door de rechtbank. Bij uitspraak van de Raad van 28 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2793, zijn deze door appellant in hoger beroep aangevochten uitspraken van de rechtbank bevestigd. Hiermee staan de besluiten tot weigering van ziekengeld met ingang van 6 mei 2002 en de weigering van een

WAO-uitkering in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid met ingang van

4 november 2002 in rechte vast.

1.6. Op 3 februari 2011 heeft appellant een aanvraag op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) ingediend in verband met klachten van ernstige vermoeidheid en concentratieverlies die zijn ontstaan ten gevolge van het motorongeval op 10 maart 2000. Bij besluit van 7 april 2011 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering, omdat hij meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen. Bij beslissing op bezwaar van 6 maart 2012 heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hierbij heeft zij overwogen dat het besluit tot beëindiging van de WAO-uitkering met ingang van 6 mei 2002 in rechte vaststaat. Nu de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op grond van de WAO gelijk is aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op grond van de Wet Wajong is hiermee gegeven dat appellant op 6 mei 2002 in staat moest worden geacht om meer dan 75% van het voor hem geldende maatmaninkomen ingevolge de Wet Wajong te verdienen en dat hierdoor niet wordt voldaan aan de in artikel 2:15, eerste lid, onder a, van de Wet Wajong genoemde voorwaarde dat appellant niet in staat is gebleven om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen. Hoewel het Uwv de aanvraag van appellant lijkt te hebben behandeld als ware de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) van toepassing, zoals deze gold tot 1 januari 2010, heeft het Uwv, naar het oordeel van de rechtbank, terecht geoordeeld dat appellant noch bij toepassing van de oude regelgeving, noch bij toepassing van de Wet Wajong, recht heeft op een uitkering. Daarom heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om gevolgen te verbinden aan het feit dat de aanvraag van appellant is behandeld als ware de Wajong van toepassing. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien om bij de behandeling van de WAO-aanvraag van appellant destijds tevens ambtshalve een Wajong-beoordeling te bevorderen.

3.

In hoger beroep heeft appellant verwezen naar de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden. Hij heeft benadrukt dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen ten gevolge van het motorongeval in maart 2000. Het Uwv had destijds ambtshalve een Wajong-beoordeling moeten uitvoeren, in elk geval op het moment van de herbeoordeling in bezwaar tegen de beëindiging van de ZW-uitkering per 6 mei 2003, gelet op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige[BAD] van 24 juli 2003. Verder is hij van mening dat zijn aanvraag in het kader van de Wajong moet worden bezien, waarbij het gaat om de medische situatie zoals die bestond op het moment dat 52 weken verstreken waren na het motorongeval, dus op 11 maart 2001. Hierbij is niet van belang dat per 6 mei 2002 de WAO-uitkering is ingetrokken.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Terecht heeft de rechtbank overwogen dat, nu de aanvraag van appellant is ingediend op 3 februari 2011, dus na de inwerkingtreding van de Wet Wajong per 1 januari 2010, hoofdstuk 2 van de Wet Wajong van toepassing is. Terecht ook heeft de rechtbank overwogen dat een eventueel recht op grond van deze wet, gelet op het bepaalde in artikel 2:15, tweede lid, niet eerder dan zestien weken na indiening van de aanvraag ontstaat, dus omstreeks

23 mei 2011. Op grond van artikel 2:15, eerste lid, van de Wet Wajong heeft appellant dus pas recht op arbeidsondersteuning indien hij over de gehele periode vanaf 12 maart 2001 tot zestien weken na de aanvraag een relevant verlies aan verdiencapaciteit heeft gehad, zoals door de rechtbank eveneens met juistheid is overwogen.

4.3.

Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat, nu appellant in het kader van de WAO met ingang van 6 mei 2002 minder dan 15% arbeidsongeschikt is bevonden, hij (met ingang van die datum) ook in staat moet worden geacht om ten minste 75% van het minimumloon te verdienen in het kader van de Wet Wajong. Na onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige is gebleken dat appellant, op basis van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zoals die ook gold op 6 mei 2002, met ingang van de eventuele ingangsdatum op grond van de Wet Wajong in staat moet worden geacht om eveneens ten minste 75% te verdienen van het minimumloon. Ook na verhoging van het maatmaninkomen in verband met verworven bekwaamheden tot 1,5 maal het minimumloon zou het arbeidsongeschiktheidspercentage onder de 25 blijven. Omdat appellant dus in staat moet worden geacht om ten minste 75% van het minimumloon te verdienen is het bezwaar ongegrond verklaard.

4.4.

Van belang zijn de rechtens onaantastbaar geworden besluiten van 11 maart 2002 (waarbij de WAO-uitkering is beëindigd per 6 mei 2002), van 14 mei 2003 (waarbij is vastgesteld dat appellant met ingang van 6 mei 2003 niet meer ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid) en van 15 april 2005 (waarbij is vastgesteld dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid met ingang van 4 november 2002). Terecht heeft de rechtbank overwogen dat er bij appellant op 6 mei 2002 geen sprake is geweest van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO. Hieraan voegt de Raad toe dat, gelet op de besluiten van 15 april 2005 en van 14 mei 2003, tevens vaststaat dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid sinds 4 november 2002 en dat appellant per 6 mei 2003 onveranderd geschikt is geacht voor zijn eigen werkzaamheden.

4.5.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn beperkingen destijds zijn onderschat. De Raad overweegt echter dat de verzekeringsarts bij rapport van 31 maart 2011 heeft geconcludeerd dat de door appellant bij de aanvraag gevoegde informatie van MEE van

22 december 2010 geen nieuwe medische informatie bevat waaruit blijkt dat de FML uit 2002 niet langer houdbaar is. Ook de informatie van Groot Klimmendaal met bevindingen na neuropsychologisch onderzoek op 23 november 2003 roept geen twijfel op. Deze informatie was destijds bekend bij de (bezwaar)verzekeringsarts en is meegewogen bij de beoordeling van de melding van appellant in 2005 van toegenomen arbeidsongeschiktheid per

4 november 2002. De Raad ziet geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de FML van 31 maart 2011, die gelijk is aan de FML uit 2002, ten aanzien van de periode van vijf jaar na

12 maart 2001, als bedoeld in artikel 2:3, tweede lid, van de Wet Wajong, noch ten aanzien van de eventuele ingangsdatum van 23 mei 2011.

4.6.

Terecht heeft de rechtbank overwogen dat de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO geen significant andere is dan die in het kader van de Wet Wajong. Appellant moest dan ook in staat worden geacht om op 6 mei 2002 en tevens gedurende minimaal vier weken na 4 november 2002 meer dan 75% van het maatmaninkomen ingevolge de Wet Wajong te verdienen. Los van de vraag of appellant als jonggehandicapte in de zin van artikel 2:3 van de Wet Wajong kan worden aangemerkt, heeft dit tot gevolg dat hij niet arbeidsongeschikt is gebleven in de zin van artikel 2:15, eerste lid, onder a, van de Wet Wajong. Het Uwv heeft daarom terecht de aanvraag Wajong afgewezen.

4.7.

Naar aanleiding van de door appellant in bezwaar ingebrachte grond over de hoogte van het maatmaninkomen heeft het Uwv, onder toepassing van het bepaalde in artikel 6, vierde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, het verhoogde maatmanloon berekend. Indien appellant zou worden gevolgd in zijn opvatting dat van dit maatmanloon zou moeten worden uitgegaan bij de toekenning van de Wajong-uitkering, zou dit leiden tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 17,7% en dus evenmin een uitkering opleveren. Reeds hierom ziet de Raad geen aanleiding om nader in te gaan op deze grond van appellant.

4.8.

Terecht heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om gevolgen te verbinden aan het feit dat bij het bestreden besluit de aanvraag van appellant lijkt te zijn behandeld als ware de Wajong van toepassing. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat voor appellant zowel bij toepassing van de Wajong als bij toepassing van de Wet Wajong geen recht op een uitkering dan wel arbeidsondersteuning zou zijn ontstaan.

4.9.

Gelet op overweging 3.8 behoeft de grond van appellant dat het Uwv destijds bij de beoordeling van zijn WAO-aanvraag ambtshalve had moeten beoordelen of appellant in aanmerking kwam voor een uitkering op grond van de Wajong, geen bespreking.

5.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en R.E. Bakker en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2014.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) I.J. Penning

QH