Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1153

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
10-04-2014
Zaaknummer
11-4470 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nadere motivering naar aanleiding van tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2013:1386). Motiveringsgebrek hersteld. Vernietiging bestreden besluit met instandlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4470 WIA

Datum uitspraak: 2 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 juni 2011, 11/1110 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 19 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1386) tussenuitspraak gedaan.

Het Uwv heeft een rapport van 16 september 2013 van bezwaarverzekeringsarts W.C. Hovy ingezonden.

Namens appellant heeft mr. M. Koolhoven haar zienswijze gegeven.

Daarna heeft het Uwv nog nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2014. Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.

Voor een uiteenzetting van de feiten wordt verwezen naar de hiervoor vermelde tussenuitspraak. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.

2.

In de tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat aan de medische beoordeling die aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegen, een zorgvuldigheidsgebrek kleeft. In de tussenuitspraak is het Uwv opdracht gegeven om met inachtneming van het Protocol chronisch vermoeidheidssyndroom (Protocol) een nader medisch onderzoek in te stellen en te onderzoeken of toepassing van het Protocol aanleiding geeft tot het bijstellen van de belastbaarheid van appellant. Daarbij heeft de Raad het aangewezen geacht de beoordeling door een bezwaarverzekeringsarts te laten uitvoeren die niet in een eerder stadium bij de beoordeling betrokken is geweest.

3.1.

In het rapport van 16 september 2013 heeft de bezwaarverzekeringsarts ter uitvoering van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, een toelichting gegeven over de verzekeringsgeneeskundige protocollen in het algemeen. Vervolgens heeft hij te kennen gegeven dat de verzekeringsarts volgens het Protocol gehouden is om een eigen medisch onderzoek te doen, een onderbouwde diagnose te stellen en een gewogen beoordeling van de belastbaarheid te verrichten. De bezwaarverzekeringsarts heeft de aandachtspunten benoemd die volgens het Protocol kunnen worden gewogen. Appellant voldeed volgens de bezwaarverzekeringsarts op basis van de daginvulling zoals bij de eerdere medische beoordelingen is beschreven, niet aan de criteria voor volledige arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts heeft volgens hem in lijn met het Protocol beperkingen in de belastbaarheid van appellant aangenomen voor de aspecten mentale inspanning, deadlines, verstoringen, geluid en zware fysieke inspanning. Verder is een duurbeperking aangenomen. De bezwaarverzekeringsarts is van mening dat een volledig en plausibel medisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Hij is dan ook tot de conclusie gekomen dat toepassing van het Protocol geen aanleiding geeft tot bijstelling van de belastbaarheid van appellant.

3.2.

Appellant heeft in een reactie op het in 3.1 vermelde rapport onjuist geacht dat het Uwv geen contact heeft opgenomen met de behandelend psychotherapeut, drs. D.H. van Ginkel. Verder had de bezwaarverzekeringsarts volgens appellant op grond van het Protocol op basis van eigen onderzoek tot een oordeel moeten komen.

3.3.

De bezwaarverzekeringsarts heeft bij rapport van 1 november 2013 toegelicht dat overleg met de psychotherapeut, die geen arts is, minder voor de hand ligt. Zo er al overleg aangewezen zou zijn, had het meer in de rede gelegen om met de arts die de diagnose heeft gesteld, internist dr. A. Wester, in contact te treden. Dat werd niet nodig bevonden omdat Wester in zijn rapport van 26 juli 2011 al voldoende informatie had verschaft.

4.1.

De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of het Uwv het onder 2 genoemde medische gebrek heeft hersteld.

4.2.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapporten van 16 september 2013 en 1 november 2013 op inzichtelijke en overtuigende wijze heeft gemotiveerd dat ook indien de beoordeling van de belastbaarheid van appellant overeenkomstig de handelwijze als beschreven in het Protocol wordt uitgevoerd, dit niet tot wijziging van de belastbaarheid leidt. Verder wordt het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, dat er geen aanleiding bestond om de behandelende psychotherapeut te raadplegen, niet onjuist geacht. Ten slotte wordt de bezwaarverzekeringsarts gevolgd in zijn toelichting dat het in dit geval niet nodig was om Wester alsnog te benaderen.

4.3.

Het overwogene onder 4.1 en 4.2 leidt de Raad tot de slotsom dat gezien het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek in de medische grondslag van het bestreden besluit, de aangevallen uitspraak vanwege het daarin vervatte oordeel over de medische grondslag van het bestreden besluit, dient te worden vernietigd. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, worden de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

5.

Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.948,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) J.C. Hoogendoorn

QH