Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1150

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2014
Datum publicatie
17-04-2014
Zaaknummer
11-1372 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 22 november 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2548) is bepaald dat de arbeidskundige grondslag onvoldoende was, omdat de geschiktheid voor een functie inhoudelijk medewerker onvoldoende is toegelicht en er geen rekening is gehouden met het feit dat appellante op medische gronden minder uren belastbaar was. Naar aanleiding van die tussenuitspraak volgt een nadere door het UWV gegeven motivering voldoende geacht voor het besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/1372 WIA, 14/497 WIA

Datum uitspraak: 4 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

21 januari 2011, 10/2277 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante 1] te[woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 22 november 2013 een tussenuitspraak gedaan, ECLI:NL:CRVB:2013:2548.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv op 20 december 2013 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Namens appellante heeft mr. P.S. Fluit, advocaat, te kennen gegeven dat en waarom appellante het niet eens is met de gewijzigde beslissing op bezwaar.

Op 21 februari 2014 heeft opnieuw onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Fluit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F.A. Put.

OVERWEGINGEN

1.

Bij de tussenuitspraak is geoordeeld dat het besluit van 30 juni 2010 (besluit 1) voor wat betreft de arbeidskundige grondslag niet deugdelijk is voorbereid en gemotiveerd, omdat de geschiktheid voor de functie inhoudelijk medewerker onvoldoende is toegelicht en omdat het Uwv bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat appellante op medische gronden minder dan het aantal uren van de maatgevende arbeid belastbaar was.

2.1.

Zoals blijkt uit zijn rapport van 12 december 2013 heeft een bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv navraag gedaan bij de arbeidsanalist over het ogenschijnlijk niet met elkaar stroken van de vermelding in de Arbeidsmogelijkhedenlijst van een arbeidspatroon van maximaal vier uur per dag en de vermelding in de functiebeschrijving dat in circa 4,5 uur in ongeveer zestien patiëntenkamers het schoonmaakwerk volgens schema moet worden voldaan. De arbeidsanalist heeft uitgelegd dat hiermee bedoeld wordt dat een productienorm wordt gehanteerd voor het schoonmaakwerk. Het is een algemene norm die de werkgever heeft gesteld en dat betekent dat er minder kamers worden schoongemaakt als er minder uren worden gewerkt.

2.2.

Verder heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport uiteengezet dat het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) het maatmanloon automatisch maximeert als er een medische urenbeperking geldt. In dit geval is in de fase van het hoger beroep de omvang van de maatman gewijzigd en had maximering handmatig moeten plaatsvinden. Het opnieuw raadplegen van het CBBS met de juiste gegevens heeft geresulteerd in een arbeidsongeschiktheid van 36,9%. Bij besluit van 20 december 2013 (besluit 2) heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 19 augustus 2009 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering (LGU) en dat de LGU eindigt op 31 mei 2010. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv opgemerkt dat de LGU niet eindigt op 31 mei 2010, maar op 28 februari 2012 en gevraagd besluit 2 gewijzigd te willen lezen. Aan dit verzoek wordt voldaan. Daarmee is vastgesteld dat appellante recht heeft op een LGU over de periode van 19 augustus 2009 tot en met 28 februari 2012.

3.

Appellante heeft het standpunt ingenomen dat de door de bezwaararbeidsdeskundige gegeven toelichting niet volstaat.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Nu besluit 2 niet geheel aan de bezwaren van appellante tegemoetkomt, wordt gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht het beroep van appellante geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2.

4.2.

De door de bezwaararbeidsdeskundige gegeven toelichting is inzichtelijk en er bestaat geen aanleiding om te veronderstellen dat bij een dienstverband van vier uur per dag meer dan vier uur arbeid zou moeten worden verricht, dan wel de productie zou moeten worden gehaald die geldt voor 4,5 uur. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv nog opgemerkt dat de betreffende functie met verschillende urenomvangen in het CBBS is opgenomen, en dat in al die functiebeschrijvingen dezelfde productienorm in precies dezelfde omschrijving voorkomt.

4.3.

Het in de tussenuitspraak neergelegde oordeel, zoals kort verwoord onder 1, betekent dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit 1 in stand heeft gelaten. Het hoger beroep van appellante slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, voor zover aangevochten. Gelet op de overwegingen in 4.1 en 4.2 kan de arbeidskundige grondslag van besluit 2 worden gedragen door de nadere motivering van het Uwv. Het beroep van appellante tegen besluit 2 slaagt niet.

5.

Het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding wordt toegewezen. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

6.

Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.704,50 (3,5 punt x € 487,-) voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 20 december 2013 ongegrond;

  • -

    veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan appellante van de wettelijke rente zoals onder 5 van deze uitspraak is vermeld;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 112,- vergoedt;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.704,50.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en R.E. Bakker en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2014.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) I.J. Penning

QH