Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1149

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2014
Datum publicatie
10-04-2014
Zaaknummer
13-1852 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schuldig nalatig voor het niet betalen van AOW-premie. Verwijtbaarheid. Nu sprake was van een voorlopige teruggave door de Belastingdienst, had appellante bedragen moeten reserveren in verband met de mogelijke afwijking van de definitieve aanslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1852 AOW

Datum uitspraak: 4 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ̕ s-Gravenhage van

27 februari 2013, 12/9750 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.G. Groen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2014. Appellante is daarbij met kennisgeving niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H.S. van Zanten.

OVERWEGINGEN

1.1. De Belastingdienst heeft de Svb medegedeeld dat appellante over 2007 een bedrag van

€ 1.097,- aan inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen niet heeft betaald.

1.2. Bij besluit van 23 mei 2012 heeft de Svb appellante voor 100% schuldig nalatig verklaard over het jaar 2007 voor het niet betalen van premie voor de Algemene Ouderdomswet (AOW).

1.3. Bij beslissing op bezwaar van 6 september 2012 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard. Overwogen is daarbij dat de Belastingdienst de Svb nader heeft geïnformeerd dat de oorzaak van de schuld is gelegen in het feit dat appellante de maximale heffingskorting heeft aangevraagd en heeft ontvangen, terwijl achteraf is komen vast te staan dat zij daarop slechts ten dele recht had. Volgens de Svb had het op de weg van appellante gelegen om op het moment dat zij de voorlopige teruggaaf had ontvangen een reservering te maken, in het geval zij daar geen of slechts ten dele recht op had.

2.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij op het minimumniveau leeft. Herhaald is dat aan de echtgenoot van appellante met terugwerkende kracht een Ziektewetuitkering (ZW-uitkering) is toegekend. Nu beiden een bijstandsuitkering hadden en hebben, heeft de nabetaling van de ZW-uitkering tot een hoog verzamelinkomen/belastbaar inkomen uit werk en inkomen geleid. De Belastingdienst houdt echter geen rekening met het feit dat het verzamel/belastbaar inkomen zo hoog is, omdat naast de bijstandsuitkering ook een Ziektewetuitkering is toegekend.

3.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.2.

Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of de rechtbank terecht het standpunt van de Svb heeft onderschreven dat appellante voor 100% schuldig nalatig is over het jaar 2007. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante enig verwijt treft voor het niet betalen van de premie ingevolge de AOW.

3.3.

In artikel 62 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is bepaald dat het beroep tegen het schuldig nalatig verklaren niet gegrond kan zijn op het verweer dat de aanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Hetgeen door appellante is aangevoerd ziet in essentie op de (hoogte van) de belastingaanslag over 2007. Dit kan dus niet leiden tot de conclusie dat appellante ten onrechte schuldig nalatig is verklaard.

3.4.

De Svb heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 61 van de Wfsv. Dit artikel bepaalt, voor zover van belang, dat indien een premieplichtige heeft nagelaten over een bepaald jaar de op aanslag verschuldigde premie voor de volksverzekeringen te betalen, de Svb beslist dat sprake is van schuldig nalaten als bedoeld in artikel 13 van de AOW, behoudens voor zover de premieplichtige aantoont dat er omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan het niet betalen van de premie hem niet toegerekend kan worden. Dit betekent derhalve dat de bewijslast om dit aan te tonen op appellante rust.

3.5.

Het oordeel van de rechtbank wordt onderschreven dat er geen aanleiding bestaat om te concluderen dat het niet betalen van de verschuldigde premies volksverzekeringen over het jaar 2007 appellante niet kan worden verweten. Ook heeft de rechtbank terecht overwogen dat, nu sprake was van een voorlopige teruggave door de Belastingdienst, appellante bedragen had moeten reserveren in verband met de mogelijke afwijking van de definitieve aanslag. Het enkele feit dat appellante destijds een inkomen op bijstandsniveau had, geeft evenmin reden om geen verwijtbaarheid aan te nemen. Verder is niet gebleken dat appellante toen schulden of andere financiële verplichtingen had.

3.6.

Uit hetgeen hiervoor onder 3.2 tot en met 3.5 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

4.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2014.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) H.J. Dekker

CVG