Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1141

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
12-4756 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening, intrekking, beëindiging en terugvordering bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4756 WWB

Datum uitspraak: 8 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 13 juli 2012, 12/1410 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te Engeland (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een reactie op het verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2014. Voor appellante is verschenen mr. Fischer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S. Dijkman Dulkes-Wan.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 1 september 2001 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij is in 2003 gehuwd met[naam echtgenoot appellante] (echtgenoot). In 2004 is hun eerste kind geboren. In november 2005 heeft appellante het college bericht dat zij door haar echtgenoot is verlaten en dat zij van plan is van hem te scheiden. De echtscheiding is niet doorgezet. Sinds 2006 heeft de echtgenoot een woonadres op ongeveer vijfhonderd meter afstand van het adres van appellante. In 2007 en 2009 zijn hun tweede en derde kind geboren. In mei 2011 heeft een klantmanager het Bureau Fraudebestrijding van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Haarlem (SoZaWe) verzocht om onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte bijstand. De klantmanager heeft toen geen concrete aanwijzingen benoemd die erop duiden dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met haar echtgenoot.

1.2.

Appellante is bij brief van 31 oktober 2011 uitgenodigd voor een gesprek bij SoZaWe op 17 november 2011. Voorafgaand aan dit gesprek heeft SoZaWe in de periode van

11 november 2011 tot en met 17 november 2011 waarnemingen gedaan bij de woning van appellante. Op 17 november 2011 heeft SoZaWe een onaangekondigd huisbezoek gebracht aan de woning van appellante. Op 17 november 2011 en op 2 december 2011 zijn er bij SoZaWe gesprekken gevoerd met appellante. Twee bewoners uit de buurt van appellante zijn gehoord als getuigen. Appellante heeft desgevraagd stukken, waaronder bankafschriften, overgelegd. Daarop is te zien dat zij op 15 augustus 2011 een bedrag van € 500,- van haar echtgenoot heeft ontvangen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 15 december 2011. Uit het onderzoek is geconcludeerd dat appellante voor de bijstand vanaf - in ieder geval - 1 september 2011 ten onrechte als alleenstaand is aangemerkt. Zij was nog gehuwd en er was geen sprake van duurzaam gescheiden leven. Voorts is geconcludeerd dat appellante in augustus 2011 inkomsten heeft gehad waarvan zij geen melding heeft gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 20 december 2011 heeft het college de bijstand over augustus 2011 herzien, met ingang van 1 september 2011 ingetrokken en met ingang van 21 december 2011 beëindigd. De gemaakte kosten van bijstand zijn tot een bedrag van in totaal € 3.652,70 van appellante teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het college geen juiste opgave te doen van haar inkomen over augustus 2011 en haar leefsituatie per 1 september 2011. Als gevolg daarvan is haar in augustus 2011 teveel bijstand verstrekt en is aan haar vanaf 1 september 2011 ten onrechte bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.4.

Bij besluit van 20 februari 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 december 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat, nu er voorafgaand aan het onderzoek geen concrete aanwijzing was dat zij in de periode vanaf 1 september 2011 een gezamenlijke huishouding voerde met haar echtgenoot, de echte aanleiding voor het rechtmatigheidsonderzoek moet zijn geweest dat zij afkomstig is uit Ethiopië. Het land van haar herkomst en haar geboorteplaats zijn door het college vermeld in haar uitkeringsdossier. Deze op ras te herleiden registratie kan leiden tot discriminatie, is onrechtmatig en had achterwege moeten blijven. Nu onderzoek is gedaan naar aanleiding van onrechtmatig geregistreerde informatie moeten de bevindingen uit dat onderzoek als verboden vruchten buiten beschouwing worden gelaten. Appellante bestrijdt ten slotte dat sprake is geweest van samenwonen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 53a, tweede lid, van de WWB is het college bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening van bijstand.

4.2.

De beroepsgrond dat uitsluitend de geboorteplaats van appellante aanleiding kan hebben gegeven voor het doen van een rechtmatigheidsonderzoek slaagt niet. Appellante heeft dat niet aannemelijk gemaakt en in het dossier is daarvoor geen aanknopingspunt te vinden. De enkele vermelding van de geboorteplaats van appellante in het rapport uitkeringsfraude is daarvoor onvoldoende. Uit de gedingstukken blijkt niet anders dan dat de aanleiding voor het instellen van een onderzoek is geweest dat de echtgenoot sinds 2006 in de buurt van appellante woonde en dat zij in 2007 en 2009 samen nog twee kinderen hebben gekregen. Deze feiten kunnen van belang zijn voor het recht op bijstand van appellante en kunnen twijfel doen rijzen aan de juistheid van de destijds bij het college bekende informatie dat appellante door haar echtgenoot is verlaten. In dit verband wordt aan de omstandigheid dat er aanvankelijk geen concrete aanwijzing was dat appellante en haar echtgenoot een gezamenlijke huishouding voerden, niet de betekenis toegekend die appellante daaraan gehecht wil zien. Het gaat hier immers om echtgenoten. In een dergelijke situatie moet worden beoordeeld of sprake is van niet duurzaam gescheiden levende echtgenoten.

4.3.

Gelet op wat in 4.2 is overwogen, behoeft wat appellante in hoger beroep verder nog heeft aangevoerd over de registratie van haar geboorteplaats geen bespreking meer.

4.4.

Uit 4.2 volgt voorts dat de stelling van appellante dat de aanleiding tot het onderzoek onrechtmatig was en dat om die reden de bevindingen van het onderzoek als onrechtmatig verkregen bewijs (verboden vruchten) buiten beschouwing moeten blijven niet slaagt.

4.5.

Appellante heeft tegen het oordeel van de rechtbank over de gebruikmaking van het resultaat van de verrichte observaties en het huisbezoek, zoals neergelegd in onderdeel 2.6 van de aangevallen uitspraak, geen zelfstandige beroepsgronden gericht. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat op grond van de bevindingen van het onderzoek in de hier van belang zijnde periode niet kan worden gesproken van duurzaam gescheiden levende echtgenoten. Dat brengt mee dat een beoordeling van de stelling van appellante dat geen sprake was van (feitelijke) samenwoning met haar echtgenoot achterwege kan blijven.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en E.C.R. Schut en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) M. Sahin

HD