Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1138

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
12-1573 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens het ontbreken van procesbelang.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/164

Uitspraak

12/1573 WWB

Datum uitspraak: 8 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

1 februari 2012, 11/5712 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2014. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 1 oktober 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij besluit van 3 februari 2011 heeft het college appellant gedurende de periode van

1 januari 2011 tot en met 31 december 2012 ontheven van een aantal arbeidsverplichtingen die zijn verbonden aan de bijstand.

1.3.

Bij besluit van 22 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het college het besluit van

30 mei 2011, strekkende tot ongegrondverklaring van het bezwaar, ingetrokken en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellant geen procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn bezwaar.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De omvang van het onderhavige geding is beperkt tot de aangevallen uitspraak en de besluitvorming die tot de ongegrondverklaring van het beroep heeft geleid. Anders dan appellant wenst, liggen andere ten aanzien van hem genomen besluiten in het kader van de WWB hier niet ter beoordeling voor.

4.2.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het college, door de bezwaren van appellant aanvankelijk ongegrond te verklaren en nadien niet-ontvankelijk, in strijd heeft gehandeld met het verbod van reformatio in peius. Deze grond slaagt niet.

4.2.1.

Het verbod van reformatio in peius houdt in dat een belanghebbende door het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep in beginsel niet in een slechtere positie mag geraken dan wanneer deze geen bezwaar zou hebben gemaakt of (hoger) beroep zou hebben ingesteld.

4.2.2.

In het onderhavige geval is hiervan geen sprake. De rechtsgevolgen van het besluit van 3 februari 2011 zijn niet gewijzigd, zodat niet kan worden ingezien dat appellant door de wijze van besluitvorming in een slechtere positie is geraakt.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat in het onderhavige geval wel degelijk sprake is van procesbelang. In dit verband heeft appellant erop gewezen dat het college te weinig heeft bijgedragen aan zijn activering voor de arbeidsmarkt en niet bereid is gebleken het insolventierisico te elimineren.

4.3.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld 1 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7208) is eerst sprake van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

4.3.2.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de aan appellant verleende ontheffing van de actieve arbeidsverplichtingen slechts tot gevolg heeft dat appellant niet verplicht was om zelf werk te zoeken en evenmin werk behoefde te aanvaarden. Het stond appellant echter vrij om op vrijwillige basis deze arbeidsverplichtingen toch na te komen. Bovendien zijn de verplichtingen bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, van de WWB voor appellant aan de bijstandverlening verbonden gebleven. Het college heeft appellant daarop ook gewezen in het besluit van 3 februari 2011. Daarmee is voor appellant onder meer de mogelijkheid blijven bestaan om gebruik te maken van aangeboden voorzieningen, gericht op werk. Ter zitting is overigens niet gebleken dat appellant zich hiervoor tot het college heeft gewend.

4.3.3.

De rechtbank is het college aldus terecht gevolgd in zijn standpunt dat de vernietiging van de evengenoemde ontheffing, zoals door appellant wordt voorgestaan, voor hem geen feitelijke betekenis heeft en dat het college het bezwaar van appellant daarom terecht wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.4.

Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.3.3 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zodat reeds daarom het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen. De vordering om appellant in de gelegenheid te stellen een externe adviseur aan te wijzen op kosten van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid om alsnog de loopbaanbegeleiding te laten slagen wordt afgewezen, omdat daarvoor geen grond aanwezig is.

5.

Appellant heeft ter zitting verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dat verzoek wordt afgewezen. De termijn is aangevangen op 17 maart 2011, de dag waarop het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 februari 2011 heeft ontvangen. Op

8 april 2014 wordt in hoger beroep uitspraak gedaan, zodat de redelijke termijn van vier jaar voor de totale duur van de procedure niet is overschreden.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade en de in 4.4 bedoelde

vordering af.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2014.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) H.J. Dekker

IJ