Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1137

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
12-4988 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand door het niet inleveren van de gevraagde gegevens door appellante binnen de haar gestelde termijn, waardoor onvoldoende gegevens beschikbaar waren om het recht op bijstand te kunnen beoordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4988 WWB

Datum uitspraak: 8 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

25 juli 2012, 12/3034 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. E. Tamas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2014. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Darwish.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft van 1 november 2001 tot en met 31 maart 2005 en vervolgens vanaf

16 oktober 2006 bijstand ontvangen, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van een tip dat appellante onroerend goed in Suriname bezit, heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Hieruit is gebleken dat appellante in Suriname vier percelen grond op haar naam heeft staan. Volgens de taxatierapporten van 10 oktober 2008 en 22 oktober 2008 bedraagt de waarde van de percelen in totaal € 60.000,-. Deze percelen zijn hypotheekvrij en staan gedeeltelijk te koop. Tijdens een gesprek op 2 juli 2009 heeft appellante bevestigd dat de percelen op haar naam staan. Zij heeft verklaard dat het de bedoeling is dat haar dochter en kleinkinderen de percelen zullen erven. Het college heeft de bijstand bij besluit van 7 april 2009 met ingang van

1 november 2001 ingetrokken en de over de periode van 1 november 2001 tot en met

10 januari 2008 gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 41.115,26, omdat met het vermogen de daarvoor geldende vermogensgrens wordt overschreden.

1.3.

Bij afzonderlijk besluit van 7 april 2009 heeft het college aan appellante met ingang van

1 april 2009 bijstand verleend in de vorm van een geldlening, omdat zij naar verwachting op korte termijn voldoende eigen middelen heeft voor levensonderhoud en in dat geval zal worden bezien over welke periode de bijstand wordt verrekend met deze middelen en over welke periode de bijstand als gift wordt verstrekt.

1.4.

Appellante heeft tegen de besluiten van 7 april 2009 bezwaar gemaakt. Bij besluit van

12 oktober 2009 zijn die bezwaren ongegrond verklaard. Dat besluit is in rechte onaantastbaar.

1.5.

Naar aanleiding van een anonieme melding op 22 juni 2010 (lees: 2011) dat appellante in april 2011 een perceel voor € 15.000,- heeft verkocht, is zij uitgenodigd voor een gesprek. Tijdens het gesprek op 21 september 2011 heeft appellante verklaard dat zij twee percelen in Suriname heeft verkocht voor $ 19.000,- en dat zij met dat bedrag de schulden van haar zoon heeft afgelost. Op de door appellante op 25 augustus 2011 ingeleverde bankafschriften is geen storting te zien. Appellante heeft verklaard dat de papieren ter zake van de verkoop van de percelen in Suriname zijn. Het college heeft appellante daarop tot 5 oktober 2011 in de gelegenheid gesteld notariële stukken over de verkoop van twee stukken grond in Suriname te overleggen. Vervolgens is tweemaal een uitstelverzoek van appellante gehonoreerd. De gevraagde stukken zijn niet binnen de daartoe gestelde termijn, te weten 31 oktober 2011, binnengekomen. Het college heeft hierop bij besluit van 2 november 2011 de uitbetaling van de bijstand met ingang van 1 november 2011 opgeschort.

1.6.

Bij besluit van 16 november 2011 heeft het college het recht op bijstand met ingang van

1 november 2011 opgeschort op de grond dat appellante niet de stukken heeft aangeleverd waarom het college heeft verzocht. Appellante is tot 30 november 2011 in de gelegenheid gesteld om dit verzuim te herstellen. Indien zij het verzuim niet binnen die termijn herstelt, zal de bijstand met ingang van 1 november 2011 worden ingetrokken.

1.7.

Bij besluit van 30 november 2011 heeft het college het recht op bijstand met ingang van

1 november 2011 ingetrokken, omdat appellante geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om het onder 1.6 bedoelde verzuim te herstellen.

1.8.

Bij besluit van 27 februari 2012 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de onder 1.6 en 1.7 genoemde besluiten ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellante zich op de hiernavolgende gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals ook de rechtbank terecht heeft overwogen treft de beroepsgrond van appellante dat zij de verkoop van de percelen niet aan het college behoefde door te geven, omdat het bezit en de waarde van deze percelen alsook de omstandigheid dat deze ter verkoop waren aangeboden al lang bij het college bekend waren, geen doel. Bij besluit van 7 april 2009 heeft het college de aan appellante met ingang van 1 april 2009 toegekende bijstand immers verleend in de vorm van een geldlening, omdat appellante naar verwachting op korte termijn (door verkoop van een of meer percelen) voldoende eigen middelen heeft voor levensonderhoud. Dan zal worden bezien over welke periode de bijstand wordt verrekend met deze middelen en over welke periode de bijstand als gift wordt verstrekt. Aan appellante is toen de verplichting opgelegd alles direct te melden wat van invloed kan zijn op de bijstand, zo mogelijk onder overlegging van bewijsstukken. Op dat moment was alleen bekend dat de percelen gedeeltelijk te koop stonden. Zonder geobjectiveerde informatie kan niet worden vastgesteld welke gronden zijn verkocht en hoe de opbrengst daarvan zich verhoudt tot de in 2008 getaxeerde waarde van die percelen. De verzochte gegevens zijn derhalve van belang voor het vaststellen van het recht op bijstand, dan wel de hoogte of de vorm van de bijstand.

4.2.

De stelling dat de bijstand van appellante eerder al vanwege de aanwezigheid van vermogen dat de grens van het vrij te laten bescheiden vermogen overschreed is ingetrokken en teruggevorderd, kan appellante niet baten. Voor de hier aan de orde zijnde beoordeling van de financiële situatie van appellante zijn de verlangde gegevens over de verzwegen verkoop(opbrengst) van twee percelen van belang en niet het destijds verzwegen bezit van vier percelen.

4.3.

Het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college ondanks het tijdverloop van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik mocht maken, wordt niet gevolgd. Allereerst gaat het hier om een intrekking op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB. Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verwijtbaar heeft verzuimd binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Vaststaat dat appellante de op 16 november 2011 nogmaals gevraagde gegevens niet vóór 30 november 2011 heeft overgelegd. Niet is gebleken dat appellante redelijkerwijs niet in staat is geweest de notariële akte van 5 mei 2010 binnen de gestelde termijn te overleggen, zodat haar daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Voor wat het tijdsverloop geldt bovendien dat het college pas met de anonieme melding op 22 juni 2011 bekend is geraakt met de verkoop van de percelen.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 16 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7575) komt in beginsel geen betekenis toe aan gegevens of stukken die tijdens de bezwaarfase alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien appellante aannemelijk maakt dat het gaat om gegevens of stukken die zij redelijkerwijs niet binnen de gegeven hersteltermijn heeft kunnen verstrekken. In het voorgaande ligt al besloten dat appellante hierin niet is geslaagd. De rechtbank heeft dan ook terecht vastgesteld dat aan het daags voor de behandeling van de beroepsprocedure bij de rechtbank door appellante overgelegde afschrift van de op 5 mei 2010 door de notaris gelegaliseerde verkoopakte van de verkochte percelen, met vermelding van een koopsom van

€ 20.000,- geen betekenis toekomt.

4.5.

Appellante heeft eerst ter zitting bij de rechtbank aangevoerd dat het intrekken zonder einddatum en zonder aankondiging wegens het punitieve karakter in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en met het eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Het college had zich ter zitting bij de rechtbank niet laten vertegenwoordigen. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank op goede gronden dit betoog wegens strijd met de goede procesorde onbesproken gelaten.

4.6.

Het betoog van appellante dat de intrekking in strijd is met voornoemde bepalingen omdat hier sprake is van een onevenredige punitieve sanctie nu de bijstand wordt ingetrokken zonder dat daaraan een eindtermijn wordt verbonden, ondanks dat de waarde van de percelen bekend is, wordt verworpen. Aan de orde is niet het intrekken wegens de aanwezigheid van vermogen en de mogelijkheid van intering daarvan, maar het niet inleveren van de gevraagde gegevens door appellante binnen de haar gestelde termijn, waardoor onvoldoende gegevens beschikbaar waren om het recht op bijstand te kunnen beoordelen.

4.7.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Y. Klik, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2014.

(getekend) Y. Klik

(getekend) H.J. Dekker

IJ