Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1136

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
13-3840 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3840 WWB

Datum uitspraak: 8 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

5 juli 2013, 12/5153 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.M. van Angeren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2014. Namens appellante is verschenen, mr. Van Angeren. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. H. van Golberdinge.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt met ingang van 22 mei 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Appellante heeft op 13 juni 2012 aan de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) doorgegeven dat zij van 4 augustus 2012 tot en met 1 september 2012 op vakantie naar het buitenland gaat. Bij brief van 12 juli 2012 heeft DWI appellante toestemming verleend om in deze periode met behoud van uitkering in het buitenland te verblijven. Appellante is eerder op 30 juni 2012 naar Suriname vertrokken, zonder DWI daarover te informeren.

1.3.

In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand, heeft DWI appellante bij brief van 16 juli 2012 verzocht om op 17 juli 2012 te verschijnen op het kantoor van DWI. Appellante is niet verschenen op deze afspraak. Het college heeft vervolgens bij besluit van 17 juli 2012 de bijstand van appellante met ingang van 17 juli 2012 opgeschort en appellante verzocht om op 19 juli 2012 alsnog te verschijnen. Appellante is door haar dochter op de hoogte gesteld van deze oproep, waarna appellante op 18 juli 2012 vanuit Suriname telefonisch contact met DWI heeft opgenomen. Ook op 19 juli 2012 is appellante niet verschenen.

1.4.

Het college heeft bij besluit van 23 juli 2012 de bijstand van appellante met ingang van 17 juli 2012 ingetrokken. Appellante heeft bij brief van 26 september 2012 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 juli 2012.

1.5.

Bij besluit van 5 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 juli 2012 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellante de bezwaartermijn heeft overschreden en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar te achten is. Appellante heeft aangevoerd dat het college bij het nemen van het intrekkingsbesluit bekend was met het feit dat zij in Suriname verbleef en dat het college het besluit naar Suriname had kunnen sturen. Appellante heeft aan het op 18 juli 2012 telefonische contact met de DWI het vertrouwen ontleend dat het langer dan toegestane verblijf in Suriname slechts gevolgen zou hebben voor het recht op bijstand over de maand juli en dat haar uitkering daarna zou worden voortgezet. Na terugkomst uit Suriname, heeft appellante aan de uitkeringsspecificatie over augustus 2012, waarin een laag bedrag betaalbaar werd gesteld, het vertrouwen ontleend dat dit te maken had met verrekening over de maand juli en voortzetting over de maand augustus. Eerst toen de bijstand in september 2012 niet betaalbaar was gesteld, heeft appellante de draagwijdte van het intrekkingsbesluit kunnen onderkennen en heeft zij onmiddellijk alsnog bezwaar gemaakt.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de wettelijke termijn van zes weken voor het maken van bezwaar ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift was verstreken.

4.2.

Op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante in verzuim is geweest. Daarbij gaat het om niet aan appellante toe te rekenen feiten en omstandigheden ten gevolge waarvan zij niet binnen de daarvoor gestelde termijn bezwaar heeft kunnen maken.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 20 april 2010: ECLI:NL:CRVB:BM1963) dient een betrokkene, die voor langere tijd afwezig is, in beginsel toereikende maatregelen te treffen ter behartiging van de eigen belangen. Als wordt nagelaten adequate maatregelen te treffen om tegen een of meer eventueel tijdens de afwezigheid te ontvangen besluiten tijdig - door of namens haar - bezwaar te maken, op al dan niet nader aan te geven gronden, moet dit in het algemeen gesproken voor rekening van de betrokkene blijven.

4.4.

Van appellante kan verlangd worden dat zij een toereikende voorziening voor haar post treft in de periode dat zij in Suriname heeft verbleven. Appellante heeft haar dochter ingeschakeld om tijdens haar afwezigheid de postverzorging op zich te nemen. Dit betekent dat appellante geacht kon worden daags na ontvangst van het besluit van 23 juli 2012 op de hoogte te zijn van de inhoud van dat besluit. Appellante had dan - al dan niet via haar dochter - tijdig bij het college kunnen informeren naar de gevolgen daarvan. Appellante heeft dit nagelaten.

4.5.

Appellante heeft de gevolgen van het besluit van 23 juli 2012 onjuist beoordeeld door er ten onrechte van uit te gaan dat het langere verblijf in Suriname slechts gevolgen zou hebben voor haar bijstand in juli 2012 en dat haar uitkering zou worden voortgezet. Uit het besluit van 23 juli 2012 blijkt niet dat het niet verschijnen van appellante op 17 en 19 juli 2012 slechts consequenties zou hebben voor haar uitkering over de maand juli 2012. Ook uit de uitkeringsspecificatie van 23 augustus 2012 volgt dit niet.

4.6.

Ten slotte kan een rechtsplicht van het college om niet over te gaan tot bekendmaking van een te verwachten besluit gedurende de bij het college bekend periode van verblijf in het buitenland, in het algemeen en ook in dit geval niet worden aanvaard. Anders dan appellante heeft aangevoerd, was er voor het college geen enkele grond om het intrekkingsbesluit naar Suriname te sturen. Voorop staat immers de eigen verantwoordelijkheid van appellante.

4.7.

Gelet op 4.1 tot en met 4.6 is de Raad met de rechtbank van oordeel dat hier van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake is. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van E.H. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) E.H. Heemsbergen

IJ