Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1131

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
12-6483 NIOAW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:3859, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag uitkering ingevolge de IOAW. Appellant is niet woonachtig op het door hem opgegeven adres, zodat niet kan worden vastgesteld of appellant recht heeft op een IOAW-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6483 NIOAW

Datum uitspraak: 8 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van

29 oktober 2012, 12/1774 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het bestuur van Baanbrekers (bestuur)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke regeling oefent het bestuur de taken en bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) uit die voorheen door het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Midden-Langstraat werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder bestuur tevens verstaan het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Midden-Langstraat.

Namens appellant heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 25 februari 2014, waar partijen met bericht niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 18 augustus 2011 een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW). Daarbij heeft appellant als zijn adres opgegeven een recreatiewoning aan [het adres] in het recreatiegebied “[naam recreatiegebied]” te [plaats] (uitkeringsadres). Het bestuur heeft appellant vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op

30 augustus 2011, waar deze zonder bericht van verhindering niet is verschenen. Op

15 september 2011 is appellant wel voor een gesprek naar het kantoor van de sociale dienst gekomen. Appellant heeft toen opnieuw een aanvraagformulier voor een uitkering ingevolge de IOAW ingevuld. Na afloop van dat gesprek heeft een huisbezoek plaatsgevonden op het uitkeringsadres. Naar aanleiding van de bevindingen tijdens dit huisbezoek heeft de Intergemeentelijke Sociale Dienst Midden-Langstraat (ISD) een nader onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. Daartoe heeft de ISD een buurtonderzoek gedaan en waarnemingen verricht. Voorts heeft de ISD in samenwerking met de Belgische politie een buurtonderzoek verricht in [K.], België, waar de vriendin van appellant woont. Ook daar zijn waarnemingen verricht. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 24 oktober 2011. Hangende het nadere onderzoek heeft het bestuur appellant opnieuw uitgenodigd voor gesprekken op 11 oktober 2011 en op 13 oktober 2011, maar appellant heeft andermaal zonder bericht van verhindering niet aan de betreffende uitnodigingen voldaan.

1.2.

Bij besluit van 24 oktober 2011 heeft het bestuur de aanvraag niet in behandeling genomen op de grond dat appellant tweemaal zonder bericht van verhindering niet was verschenen op een afspraak.

1.3.

Bij besluit van 9 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het bestuur het bezwaar tegen het besluit van 24 oktober 2011 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en de aanvraag alsnog afgewezen op de grond dat appellant niet woonachtig is op het door hem opgegeven adres, zodat niet kan worden vastgesteld of appellant recht heeft op een IOAW-uitkering.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In een geval waarin het bijstandverlenend orgaan een aanvraag om bijstand met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling heeft gesteld en na bezwaar bij de beslissing op bezwaar alsnog inhoudelijk op die aanvraag heeft beslist, vangt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel aan op de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Die periode eindigt op de datum van de beslissing op bezwaar of - zo het bijstandverlenend orgaan de betrokkene met ingang van een eerdere datum bijstand heeft verleend - tot aan die eerdere datum. Het voorgaande betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 18 augustus 2011 tot en met 9 maart 2012.

4.2.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie te verstrekken over zijn woonadres, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van een uitkering als in dit geval.

4.3.

De rechtbank heeft, anders dan appellant heeft betoogd, terecht geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het bestuur dat appellant in de hier van belang zijnde periode niet woonde op het uitkeringsadres. Het rapport van 24 oktober 2011 van de ISD bevat voldoende feitelijke gegevens om tot dat standpunt te komen. Dit zijn met name de bevindingen tijdens het huisbezoek, het water- en energieverbruik in de recreatiewoning en de resultaten van het buurtonderzoek en de waarnemingen in [plaats] en in [K.]. Gelet op die gegevens, bezien in onderlinge samenhang, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij in de te beoordelen periode op het uitkeringsadres woonde.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat bepaalde in het rapport van 24 oktober 2011 vermelde feiten niet juist zijn en heeft hiervoor in het bijzonder verwezen naar het beroepschrift bij de rechtbank van 10 april 2012 en de brief van 18 september 2012. In het beroepschrift wordt onder meer verwezen naar een brief van 31 januari 2012. Daarin heeft appellant in reactie op het verslag van het huisbezoek vermeld dat hij wel degelijk beschikte over een gasvoorziening en wel door middel van een in de woning aanwezige gasfles, dat hij uiteraard niets in de koelkast had liggen omdat deze, vanwege de afwezigheid van stroom, niet werkte en dat in de woning wel schoenen aanwezig waren. Appellant heeft gesteld dat hij daarom heeft geweigerd het verslag mede te ondertekenen. Volgens dat rapport heeft appellant aan de opsporingsambtenaar meegedeeld dat hij geen enkel formulier wenst te ondertekenen. Wat daar verder van zij, uit het rapport blijkt niet dat appellant die opsporingsambtenaar heeft gewezen op de door hem gestelde gebreken in het verslag van het huisbezoek en heeft verzocht de gewenste wijzigingen in het verslag aan te brengen. Omdat het bovendien gaat om een rapport dat is opgemaakt en mede ondertekend door een opsporingsambtenaar, mag ervan worden uitgegaan dat de bevindingen tijdens het huisbezoek juist zijn weergegeven. Wat de gas- en stroomvoorziening betreft heeft de voorzitter van de vereniging van eigenaren van het recreatiepark op 19 september 2011 tegenover de opsporingsambtenaar verklaard

dat - kennelijk in verband met het verbod van permanente bewoning - de recreatiewoning van appellant van gas en elektra was afgesloten. Dit gegeven ondersteunt het standpunt van het bestuur dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde.

4.5.

Appellant heeft verwezen naar de door hem overgelegde uitspraak van de rechtbank Breda van 18 juli 2011, 11/1774, inzake een gedoogaanvraag van hem voor permanente bewoning van het uitkeringsadres. In die uitspraak, gewezen tussen appellant en het college van burgemeester en wethouders van Waalwijk, heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de recreatiewoning sinds 31 oktober 2003 onafgebroken heeft bewoond en dat hij in aanmerking kwam voor een persoonsgebonden gedoogbeschikking. Wat hier ook van zij, die uitspraak heeft betrekking op een periode die voorafgaat aan de periode die in deze zaak ter beoordeling voorligt, zodat die uitspraak reeds daarom voor deze zaak niet relevant is.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2014.

(getekend) M. Hillen

(getekend) M. Sahin

JvC