Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1125

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
12-5208 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant, anders dan hij had opgegeven, feitelijk niet op het uitkeringsadres woonde. Nu bovendien niet is gesteld dat appellant toentertijd op andere adressen in de gemeente zijn hoofdverblijf heeft gehad, en ook ter zitting is erkend dat dit niet het geval was, is voorts terecht de conclusie getrokken dat appellant geen woonplaats had in de gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5208 WWB

Datum uitspraak: 1 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank [woonplaats] van 9 augustus 2012, 12/500 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats] (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Wudka, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2014. Voor appellant is

mr. Wudka verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant staat sedert 28 juni 2000 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven op het [adres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Appellant is gehuwd geweest met [K.]. Appellant ontving in de periode van 7 oktober 2001 tot en met 31 juli 2007 en 2 juli 2010 tot en met 27 oktober 2010 samen met K bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Daarna heeft appellant K verlaten en is hij met onbekende bestemming vertrokken. K ontving vervolgens bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder tot 27 oktober 2011, de datum waarop zij met de kinderen van het uitkeringsadres is verhuisd naar Zaandam. Appellant heeft zich op 10 november 2011 op het Werkplein [woonplaats] gemeld om bijstand. Op 24 november 2011 heeft appellant de daartoe strekkende aanvraag ingediend.

1.2.

Naar aanleiding van een dienstmededeling van een consulent op 1 december 2011 dat appellant bij een onaangekondigd huisbezoek op die dag niet op het uitkeringsadres was aangetroffen en een overbuurvrouw spontaan had geroepen dat er niemand op dat adres woonachtig was, heeft de Sociale Recherche [woonplaats] & Valkenburg aan de Geul (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer in de periode van 5 december 2011 tot en met 5 januari 2012 heimelijke waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres, op 5 januari 2012 appellant verhoord, aansluitend op dat verhoor een bezoek gebracht aan het uitkeringsadres, een getuige gehoord en gegevens opgevraagd bij Waterleidingmaatschappij Limburg (WML). De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 januari 2012.

1.3.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 12 januari 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 maart 2012 (bestreden besluit), de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant niet zijn woonplaats heeft op het uitkeringsadres te [woonplaats] en dus op grond van artikel 40, eerste lid, van de WWB geen aanspraak heeft op bijstand jegens het college.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de rapporteur bij zeven heimelijke waarnemingen heeft waargenomen dat alle rolluiken van de woning waren gesloten en dat de rapporteur bij de waarneming voorafgaand aan het gesprek op 5 januari 2012 appellant de woning niet heeft zien verlaten dan wel enige andere activiteit in of rond de woning heeft geconstateerd. Bij het huisbezoek dat na het gesprek heeft plaatsgevonden, is waargenomen dat de woning nagenoeg leeg was. Uit de bij WML opgevraagde informatie is voorts gebleken dat het verbruik in een periode van meer dan twee maanden slechte een halve m3 was. Daarnaast heeft de buurvrouw verklaard dat appellant in de periode oktober 2011 tot de datum waarop zij is gehoord op 1 januari 2012, niet woonachtig is geweest op het uitkeringsadres, dat de rolluiken dag en nacht gesloten zijn, dat zij niets in de woning hoorde, terwijl de woningen wel gehorig zijn en dat zij op verzoek van appellant zijn post uit de brievenbus heeft gehaald en op een kast in de woning heeft gelegd.

3.

In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij op de hoorzitting erop heeft gewezen dat hij na het vertrek van K in bijzondere omstandigheden is komen te verkeren, waaruit afgeleid kan worden waarom hij overdag niet vaker thuis is. Zij had immers de inboedel van de woning meegenomen. Hij verbruikte zeer weinig energie omdat hij deze niet kon betalen en hij at en douchte bij kennissen en vrienden. Ondanks een toezegging op de hoorzitting is het energieverbruik niet geverifieerd. Voorts heeft hij erop gewezen dat tijdens het huisbezoek is geconstateerd dat sprake was van een natte douchecel en een natte handdoek, waaruit blijkt dat hij wel de nacht voorafgaande aan het verhoor op het uitkeringsadres heeft verbleven.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Onderschreven wordt het oordeel van de rechtbank dat appellant tijdens de hier te beoordelen periode, van 10 november 2011 tot en met 12 januari 2012, voor de toepassing van de WWB geen woonplaats had in [woonplaats]. Allereerst wordt verwezen naar de in 2 verkort weergegeven overwegingen van de aangevallen uitspraak, waarop dat oordeel is gebaseerd.

4.2.

Daaraan wordt nog toegevoegd dat op 5 januari 2012 bij het huisbezoek op het uitkeringsadres nagenoeg geen persoonlijke bezittingen van appellant zijn aangetroffen. Dat tijdens het huisbezoek is geconstateerd dat sprake was van een natte douchecel en een natte handdoek, blijkt niet uit het verslag dat van het huisbezoek is opgemaakt. Evenmin valt in het verslag van de hoorzitting te lezen dat van de zijde van het college de toezegging is gedaan dat het energieverbruik zou worden geverifieerd. Wat wel in het verslag staat vermeld is dat zo nodig het waterverbruik, dat volgens het rapport in de periode vanaf november 2011 tot in januari 2012 een halve m3 bedroeg, nog kan worden geverifieerd bij het waterleidingbedrijf. Voor een nadere verificatie van het waterverbruik heeft het college blijkens het behandelde op de zitting bij de rechtbank evenwel geen aanleiding gezien, gelet op de overige onderzoeksbevindingen.

4.3.

Gelet op wat in 4.1 en 4.2 is overwogen, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant in de hier te beoordelen periode, anders dan hij had opgegeven, feitelijk niet op het uitkeringsadres woonde. Nu bovendien niet is gesteld dat appellant toentertijd op andere adressen in de gemeente [woonplaats] zijn hoofdverblijf heeft gehad, en ook ter zitting is erkend dat dit niet het geval was, is voorts terecht de conclusie getrokken dat appellant geen woonplaats had in de gemeente [woonplaats]. Appellant had daarom tijdens de te beoordelen periode geen recht op bijstand jegens het college.

4.4.

Uit 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2014.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) M.R. Schuurman

IJ