Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1123

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
12-6228 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Gezamenlijke huishouding. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6228 WWB

Datum uitspraak: 1 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 18 oktober 2012, 12/742 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats](appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.M. Diesfeldt, advocaat, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft mr. A. van Deuzen, advocaat, zich als gemachtigde van appellante gesteld. Vervolgens heeft mr. R. Kiewitt zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2014. Appellante is verschenen, vergezeld van[naam R.] en bijgestaan door mr. R.J.A. Verhoeven, advocaat en kantoorgenoot van mr. Kiewitt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.E. Nieman.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 5 juli 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante is gehuwd geweest met[naam R.] (R). Uit deze relatie is een zoon geboren.

1.2.

In het kader van een onderzoek naar de woon- en leefsituatie van appellante heeft een medewerker van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Heerhugowaard observaties verricht bij de woning van appellante en hebben twee medewerkers van de genoemde afdeling op 21 juli 2011 een huisbezoek gebracht aan de woning, waarbij appellante en R zijn gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 1 september 2011.

1.3.

Op basis van de resultaten van het onderzoek heeft het college bij besluit van 25 augustus 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 februari 2012 (bestreden besluit), de bijstand van appellante met ingang van 21 mei 2011 ingetrokken en deze beëindigd met ingang van de datum van verzending van het besluit, 7 september 2011. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de met R gevoerde gezamenlijke huishouding.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter beoordeling ligt voor de periode van 21 mei 2011 tot 7 september 2011, de datum van beëindiging van de bijstand.

4.2.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

4.3.

Aangezien vast staat dat uit de relatie van appellante en R een kind is geboren, is voor de beantwoording van de vraag of sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en R hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

4.4.

Anders dan appellante heeft aangevoerd, bieden de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellante en R in de te beoordelen periode hoofdverblijf hadden in de woning van appellante. Daarbij heeft het college betekenis kunnen hechten aan de op 21 juli 2011 door appellante afgelegde verklaring dat R dagelijks bij haar en haar zoon is, dat hij gemiddeld vijf à zes nachten en dagen per week bij hen is en dat deze situatie al minimaal twee maanden zo is.

4.5.

Appellante heeft aangevoerd dat de op 21 juli 2011 afgelegde verklaring niet klopt. Zij stelt te hebben verklaard dat R drie of vier keer in de week langskwam. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag ook indien de betrokkene later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen mag worden uitgegaan van de juiste weergave van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. De enkele stelling dat zij de verklaring niet heeft gelezen voordat zij deze tekende en dat zij erop vertrouwde dat haar verklaring juist was weergegeven, is hiervoor onvoldoende. Van een taalprobleem blijkt niet. Ook heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij de verklaring onder onaanvaardbare druk heeft ondertekend. Tegenover de stelling van appellante dat de verklaring niet is voorgelezen, staat de verklaring van één van de bij het huisbezoek aanwezige ambtenaren, opgenomen in het verslag van de hoorzitting, dat dit wel is gebeurd. De latere verklaringen van appellante over de aanwezigheid van R zijn bovendien niet consistent, wat afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van haar ontkenning. Zo heeft zij in haar bezwaarschrift gesteld dat hij één keer per week een aantal uren omgang mag hebben met hun zoon, terwijl zij bij de hoorzitting heeft gezegd dat hij er twee keer in de week is en dat zij dat ook verklaard heeft.

4.6.

De verklaring van appellante vindt tevens steun in andere onderzoeksgegevens. Bij observaties op verschillende dagen en tijdstippen, ook meermalen op één dag, in de periode van 28 juni 2011 tot en met 17 juli 2011 werd R in of bij de woning van appellante gezien of stond zijn auto geparkeerd voor de woning. Bij het huisbezoek werden herenslippers, herenschoenen, herenkleding en een herentoiletartikel aangetroffen. Appellante heeft aangevoerd dat dit geen bewijs vormt, aangezien haar vader en broer regelmatig bij haar op bezoek zijn en zij voor hen “mannenspullen” heeft. Blijkens het daarvan opgemaakte rapport heeft appellante bij het huisbezoek echter verklaard dat de aangetroffen herenartikelen van R waren. Er is geen aanleiding om hier niet van uit te gaan. Ten slotte vindt de verklaring van appellante steun in de verklaring van R dat hij drie à vier keer per week bij zijn zoon en zijn ex komt.

4.7.

De beroepsgrond dat ten onrechte geen huisbezoek is afgelegd aan het woonadres van R slaagt niet, nu reeds op grond van de overige onderzoeksbevindingen de conclusie gerechtvaardigd was dat appellante en R ten tijde van belang hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

4.8.

Dat de ziekte van hun zoon de reden van het verblijf van R in de woning van appellante was, zoals appellante heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De aard van de relatie van de betrokkenen, hun subjectieve beleving daarvan en het motief op grond waarvan zij de samenleving niet of nog niet hebben verbroken, blijven voor de toepassing van de WWB buiten beschouwing.

4.9.

Uit 4.4 tot en met 4.8 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2104.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) M.R. Schuurman

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

ij