Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1113

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
13-752 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening pensioen naar de norm voor een gehuwde. Appellant heeft ondanks herhaald verzoek daartoe niet gemeld waar hij woonde. De mededeling van appellant dat hij bij familie en vrienden verblijft volstaat niet. Ook volstaat niet de mededeling van appellant dat hij in Europa, Curaçao en de Dominicaanse Republiek heeft verbleven. Onjuiste vaststelling van de rechtsgrondslag. Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/752 AOW

Datum uitspraak: 4 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

27 december 2012, 12/2006 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant], Dominicaanse Republiek (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. van de Wege, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van de Wege. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft vanaf maart 2002 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) ontvangen naar de norm voor een alleenstaande. In 2004 is appellant uitgeschreven uit de Gemeentelijke Basisadministratie in verband met vertrek naar het buitenland. In 2007 heeft appellant meegedeeld dat hij woont op een adres in Hamburg (Duitsland). Dit woonadres is bevestigd door de gemeente Hamburg. In mei 2009 heeft de Svb geconstateerd dat post verzonden aan dit adres retour werd ontvangen. Bij besluit van

6 mei 2009 heeft de Svb de betaling van het pensioen geschorst. Bij brief van 5 mei 2009 is aan het Duitse socialezekerheidsorgaan verzocht dit besluit aan appellant door te zenden. Het Duitse orgaan heeft bij brief van 12 mei 2009 meegedeeld dat het besluit van 6 mei 2009 aan appellant is toegezonden. De Svb heeft appellant in een e-mail van 31 juli 2009 in reactie op een e-mail van appellant laten weten dat de aan hem verzonden post als onbestelbaar retour wordt ontvangen. Daarbij is appellant erop gewezen dat een levensbewijsformulier zal worden toegezonden en de betaling van het pensioen kan worden hervat indien het formulier volledig ingevuld wordt teruggezonden. Bij brief van 5 oktober 2009 heeft de gemeente Hamburg meegedeeld dat appellant is geregistreerd als woonachtig op het bij de Svb bekende adres in Hamburg. Daarbij is vermeld dat de juistheid van de registratie afhankelijk is van de vervulling van de meldingsplicht. Het Duitse orgaan heeft de Svb bij brief van 4 januari 2011 meegedeeld dat appellant met onmiddellijke ingang een nieuw adres heeft in de Dominicaanse Republiek. Op 24 januari 2011 heeft de Svb naar dit adres een levensbewijsformulier verstuurd met het verzoek dit in te vullen en terug te zenden. Appellant heeft in een e-mail van 15 februari 2011 verzocht opnieuw een levensbewijsformulier te sturen. Appellant heeft op het levensbewijsformulier van 11 maart 2011 vermeld dat hij op dat moment geen vast woonadres had. In een e-mail van 16 mei 2011 heeft appellant te kennen gegeven dat hij in 2009 en 2010 op verschillende plaatsen in Europa bij familie heeft verbleven en in de toekomst zich in de Dominicaanse Republiek zal vestigen. Bij besluit van 18 mei 2011 heeft de Svb het pensioen per 1 juli 2011 lager vastgesteld, omdat appellant naar de Dominicaanse Republiek verhuist en Nederland met dit land geen afspraken heeft over controle op pensioenen. Bij besluit van 11 november 2011 is het pensioen herzien over de periode van mei 2009 tot en met juni 2011.

1.2. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 13 maart 2012 ongegrond verklaard. Het besluit berust op de overweging dat het pensioen dient te worden uitbetaald naar de norm voor een gehuwde, omdat onduidelijkheid bestaat over de woonplaats van appellant van mei 2009 tot en met juni 2011. Daarbij is gewezen op artikel 17b van de AOW en artikel 4 van het Besluit intrekking en herziening ouderdomspensioen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 13 maart 2012 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de stelling van appellant dat de Svb niet heeft gemotiveerd op welke grondslag dit besluit berust verworpen. De rechtbank heeft overwogen dat in het besluit van 13 maart 2012 is vermeld dat het op artikel 17b van de AOW is gebaseerd en deze bepaling de bevoegdheid zowel tot schorsing als tot definitieve verlaging van het pensioen geeft. Het niet opnemen van de tekst van dit artikel in het besluit van 13 maart 2012 is naar het oordeel van de rechtbank geen dusdanig motiveringsgebrek dat dit besluit zou moeten worden vernietigd.

3.1.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangevallen uitspraak en het besluit van 13 maart 2012 moeten worden vernietigd, omdat artikel 17b niet de grondslag voor een schorsings- of herzieningsbesluit kan vormen en tot in hoger beroep onduidelijk is op welke rechtsgrond het is gebaseerd.

3.2.

De Svb heeft het standpunt ingenomen dat het besluit van 13 maart 2012 is gebaseerd op artikel 17a, eerste lid, van de AOW.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat het besluit van 13 maart 2012 niet is gebaseerd op artikel 17b van de AOW en dat de vermelding van dit artikel in het besluit onjuist is. De Svb heeft dit in het verweerschrift erkend.

4.2.

Voorts is niet in geschil dat bij het besluit van 13 maart 2012 niet is beoogd toepassing te geven aan de - in artikel 17b van de AOW opgenomen - maatregelbevoegdheid van de Svb. Ook is niet in geschil dat dit besluit niet is gebaseerd op artikel 17, vierde lid, van de AOW. De Svb heeft dit op de zitting erkend.

4.3.

Juist is het standpunt van de Svb dat aan het besluit van 13 maart 2012 artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder c, van de AOW ten grondslag ligt.

4.4.

Appellant heeft terecht gesteld dat de onjuiste vaststelling van de rechtsgrondslag niet kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat in het besluit van 13 maart 2012 een onjuiste bevoegdheidsgrondslag is vermeld en uit dit besluit niet kenbaar is aan welke bevoegdheid de Svb bij dit besluit toepassing heeft gegeven.

4.5.

Gelet op het voorgaande komen de aangevallen uitspraak en - wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb - het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Beoordeeld moet worden of de rechtsgevolgen van het besluit van 13 maart 2012 in stand kunnen blijven.

4.6.

Het pensioen is terecht over de periode van mei 2009 tot en met juni 2011 herzien naar de norm voor een gehuwde. Appellant heeft immers ondanks herhaald verzoek daartoe niet gemeld waar hij in deze periode woonde. Appellant heeft de hiervoor onder 1.1 weergegeven feiten niet betwist. De mededeling van appellant dat hij bij familie en vrienden verblijft volstaat niet. Ook volstaat niet de mededeling van appellant dat hij in Europa, Curaçao en de Dominicaanse Republiek heeft verbleven.

4.7.

De stelling van appellant dat de Svb eerst een maatregel diende op te leggen moet worden verworpen. De bevoegdheid om een maatregel op te leggen, doet er niet aan af dat de Svb, gelet op de overwegingen onder 4.6, op grond van artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder c, van de AOW in beginsel gehouden was de uitkering te herzien. Niet is gebleken dat sprake is van dringende redenen, als bedoeld in het tweede lid van artikel 17a van de AOW, op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van herziening kan worden afgezien.

5.

Uit de overwegingen onder 4.6 en 4.7 volgt dat dient te worden bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 13 maart 2012 in stand blijven.

6.

Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 487,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.461,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 13 maart 2012;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven

- bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in

totaal € 157,- vergoedt;

- veroordeelt de Svb in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.461,,

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2014.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) H.J. Dekker

CVG