Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1112

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2014
Datum publicatie
21-05-2014
Zaaknummer
13-369 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering voor de AOW. Uit de gegevens met betrekking tot de vrijwillige verzekering van de vader van appellante is niet gebleken van stukken waarop appellante het vertrouwen had kunnen baseren dat zij gedurende het in geschil zijnde tijdvak - vrijwillig - verzekerd is geweest ingevolge de AOW. Het was in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van appellante zelf om zich, eventueel met de hulp van derden, bijtijds te oriënteren op de mogelijkheden die het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid toen bood. Geen gebruik van een generaal pardon. Geen beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/369 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

6 december 2012, 12/2771 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante], te [woonplaats], appellante

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 6 februari 2014, met bijlagen, heeft appellante haar standpunt nader toegelicht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2014. Appellante is daarbij in persoon verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.S. van Zanten.

OVERWEGINGEN

1.1.Appellante is geboren [in] 1944 in Nederland en heeft vanaf juli 1949 tot en met 30 augustus 1963, met haar ouders, in België gewoond. Vanaf 31 augustus 1963 woont appellante in Nederland. De vader van appellante heeft zich in 1963 aangemeld voor de vrijwillige verzekering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en is vervolgens vanaf 1 januari 1957 tot zijn 65e verjaardag in 1972 vrijwillig verzekerd geweest krachtens de AOW.

1.2. Bij brief van 30 maart 2009 heeft de Svb aan appellante medegedeeld dat zij met ingang van augustus 2009 recht heeft op een ouderdomspensioen ingevolge de AOW ter hoogte van 92% van het volledige pensioen. Daarbij is vermeld dat de korting van 8% op het pensioen is gebaseerd op de niet verzekerde periode krachtens de AOW van 3 augustus 1959 tot en met 30 augustus 1963.

1.3. Appellante heeft bij brief van 7 juli 2011 aan de Svb verzocht om toelating tot de vrijwillige verzekering voor de AOW gedurende genoemd tijdvak. Daarbij is verwezen naar een vergelijkbare situatie van een oud-klasgenoot van appellante die zich alsnog vrijwillig heeft kunnen verzekeren voor de jaren dat hij met zijn ouders in België woonde.

1.4. De Svb heeft bij brief van 30 september 2011 afwijzend beslist op het verzoek van appellante, omdat appellante zich niet tijdig heeft aangemeld voor deelname aan de vrijwillige verzekering voor de AOW en er geen aanleiding is om in dit geval af te wijken van de wettelijke aanvraagtermijn.

1.5. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. De Svb heeft vervolgens onderzoek verricht in de dossiers van de ouders en een broer van appellante.

1.4. Bij beslissing op bezwaar van 23 april 2012 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit eveneens ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat overschrijding van de aanmeldingstermijn voor de vrijwillige verzekering niet verschoonbaar is nu er geen wettelijke grondslag is voor de veronderstelling van appellante dat zij vrijwillig meeverzekerd was met haar vader en zij ten tijde van de toelating van haar vader tot die verzekering in oktober 1963 al geen deel meer uitmaakte van het gezin. Voorts is overwogen dat het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de toepassing der wederzijdse wetgeving op het punt van sociale verzekering van 29 augustus 1947 (het Verdrag) geen aanknopingspunten biedt voor de stelling van appellante dat zij gedurende het in geschil zijnde tijdvak in Nederland verzekerd is geweest. Ten aanzien van het gestelde gebrek aan informatie heeft de rechtbank overwogen dat onbekendheid met wettelijke bepalingen en met het generaal pardon onvoldoende is om appellante in weerwil van de wettelijke bepalingen alsnog in de gelegenheid te stellen zich vrijwillig te verzekeren. Ten slotte heeft de rechtbank het beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen, omdat geen sprake is van gelijke gevallen nu de Svb zijn gedragslijn in soortgelijke zaken in 2010 heeft gewijzigd.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd dat de aangevallen uitspraak onzorgvuldig en partijdig is. Wat betreft de onzorgvuldigheden heeft appellante erop gewezen dat zij, anders dan is overwogen, in 1963 nog niet meerderjarig was, dat in de uitspraak alleen wordt gesproken over [naam] die de gelegenheid heeft gekregen zich vrijwillig te verzekeren, terwijl er veel meer gevallen zijn en dat de rechtbank onvoldoende is ingegaan op hetgeen is aangevoerd. Wat betreft de partijdigheid meent appellante dat de Svb en de Staat der Nederlanden ongestraft fouten kunnen maken waarvan de burger de dupe wordt. Appellante stelt dat er bij de aanmelding voor de vrijwillige verzekering in het verleden geen aandacht is geweest voor de positie van kinderen op het aanmeldformulier en evenmin bij de beoordeling van de aanvraag. Verder stelt appellante dat zij ten onrechte niet is geïnformeerd over de vrijwillige verzekering bij haar vestiging in Nederland en dat zij ten onrechte pas kort voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar is geconfronteerd met de korting op haar ouderdomspensioen. Ten slotte is een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en op het Verdrag.

3.2.

Ter zitting heeft de Svb nader toegelicht dat bij onderzoek van het dossier van de vader van appellante, dat betrekking heeft op de toelating tot de vrijwillige verzekering voor de AOW, niet is gebleken dat in de correspondentie over de vrijwillige verzekering melding is gemaakt van kinderen. Als dat wel het geval zou zijn geweest, dan had de Svb daarin aanleiding kunnen vinden appellante alsnog toe te laten tot de vrijwillige verzekering.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geding is de vraag of de Svb terecht heeft geweigerd om appellante in de gelegenheid te stellen om zich over een periode vanaf haar 15e verjaardag [in] 1959 tot de aanvang van haar verplichte verzekering voor de AOW op 31 augustus 1963 vrijwillig te verzekeren.

4.2.

Niet in geding is dat appellante zich niet heeft aangemeld voor de vrijwillige verzekering binnen de daarvoor vastgestelde uiterste termijn van, ten tijde van haar aankomst in Nederland, één jaar, dan wel vijf jaar zoals geldt sinds 1 januari 2001, of tien jaar zoals geldt vanaf 1 januari 2010. Daarom kan appellante uitsluitend nog worden toegelaten tot de vrijwillige verzekering voor de AOW indien geoordeeld moet worden dat zij de aanmeldtermijn verschoonbaar heeft overschreden.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank, dat de overschrijding van de aanmeldtermijn in het onderhavige geval niet verschoonbaar is, wordt onderschreven. Daarbij is ten eerste van belang dat uit de gegevens met betrekking tot de vrijwillige verzekering van de vader van appellante niet is gebleken van stukken waarop appellante het vertrouwen had kunnen baseren dat zij gedurende het in geschil zijnde tijdvak - vrijwillig - verzekerd is geweest ingevolge de AOW. In de correspondentie wordt niet gesproken over de positie van de thuiswonende kinderen. Het feit dat de Svb thans in de inschrijfformulieren voor de vrijwillige verzekering expliciet vraagt of het verzoek ook betrekking heeft op een of meer kinderen van een betrokkene, laat onverlet dat niet is gebleken dat de aanmelding van de vader van appellante ook betrekking had op appellante. Verder heeft de rechtbank weliswaar ten onrechte opgemerkt dat appellante ten tijde van de brief van de Svb van 1 oktober 1963 al meerderjarig was, de meerderjarigheidsgrens lag toen nog bij de leeftijd van 21 jaar, maar terecht heeft de rechtbank erop gewezen dat appellante toen al in Nederland woonde en niet langer deel uitmaakte van het gezin in België.

4.4.

Ten aanzien van de stelling van appellante dat de Svb dermate tekort is geschoten in het verstrekken van informatie dat de termijnoverschrijding daarom verschoonbaar is, moet worden vastgesteld dat ingevolge vaste rechtspraak er voor de Svb geen algemene plicht bestaat om immigranten direct na hun vestiging in Nederland te wijzen op de mogelijkheden die de inkoopregeling van de vrijwillige verzekering voor de AOW biedt. Het was derhalve in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van appellante zelf om zich, eventueel met de hulp van derden, bijtijds te oriënteren op de mogelijkheden die het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid toen bood. Appellante heeft erop gewezen dat de mogelijkheid van vrijwillige verzekering voor de AOW toentertijd niet algemeen bekend was. De onbekendheid met deze mogelijkheid heeft ertoe geleid dat in de jaren voor 1976 twee keer een generaal pardon is gehanteerd, waarbij aanmelding voor de vrijwillige verzekering voor de AOW na het verstrijken van de aanmeldingstermijn alsnog mogelijk werd gemaakt, mits de aanvraag daartoe voor een bepaalde datum werd gedaan. Appellante had voor 1 januari 1976 gebruik kunnen maken van zo’n generaal pardon. Tevens had zij zich eerder tot de Svb kunnen wenden met een verzoek om informatie of kunnen vragen om een overzicht van haar verzekerde tijdvakken.

4.5.

Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel kan ook niet slagen. Tussen partijen is niet in geschil dat de situatie van de oud-klasgenoot van appellante,[naam], een grote overeenkomst vertoont met de situatie van appellante. De Svb heeft er ter zitting echter op gewezen dat gebleken is dat door één medewerker van de Svb in het verleden een aantal foute besluiten zijn genomen met betrekking tot de toelating tot de vrijwillige verzekering. Daartoe behoort het besluit ten aanzien van [naam]. In 2010 is deze medewerker erop aangesproken dat de voorwaarden voor toelating tot de vrijwillige verzekering strikt moeten worden gehanteerd en dat niet snel een buitenwettelijke uitzondering kan worden gemaakt. Van een vaste gedragslijn ten aanzien van personen in een soortgelijke situatie als appellante is volgens de Svb geen sprake geweest. Nu niet is gebleken van een - vorm van een - beleid of vaste gedragslijn van de Svb ten aanzien van de toelating tot de vrijwillige verzekering van personen die slechts ten tijde van hun jeugd niet verzekerd zijn geweest voor de AOW omdat zij toen met hun ouders buiten Nederland woonden, kan de Svb niet verplicht worden appellante op dezelfde wijze te behandelen als [naam]. De Svb kan immers niet gehouden worden geacht om in het verleden gemaakte foute buitenwettelijke uitzonderingen ook in de toekomst voort te zetten.

4.6.

Ten aanzien van het Verdrag wordt ten slotte het oordeel van de rechtbank onderschreven. Appellante heeft ter ondersteuning van haar stelling slechts verwezen naar de volgende zinnen in de brief van de Svb van 1 oktober 1963 aan haar vader: ‘Ook zonder vrijwillige premiebetaling zoudt u aanspraak kunnen maken op een (gedeeltelijk) pensioen en wel op grond van het Nederlands-Belgisch verdrag, indien u althans niet in Nederland en België als werknemer verzekerd bent geweest. Daarbij wordt rekening gehouden met de perioden waarover u (en eventueel uw echtgenote) tussen 1 januari 1927 en 1 januari 1957 in Nederland heeft (hebben) gewoond.’ Hoewel deze zinnen niet geheel duidelijk zijn, lijken die toch betrekking te hebben op de aanspraak op ouderdomspensioen, gebaseerd op tijdvakken gelegen voor de inwerkingtreding van de AOW, de zogenoemde ‘overgangsvoordelen’. In ieder geval kan uit deze zinnen en uit het Verdrag niet afgeleid worden dat appellante erop mocht vertrouwen dat zij gedurende het in geschil zijnde tijdvak verzekerd was ingevolge de AOW.

4.7.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2014.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) H.J. Dekker

CVG