Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1107

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
11-1471 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad kan niet anders concluderen dan dat betrokkene ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht ten tijde van het plichtsverzuim. Nu ook gerede twijfel bestaat over haar psychiatrisch toestandsbeeld ten tijde dat zij de beschikking kreeg over de justitiële documenten en ten tijde dat zij de documenten in haar tas deed en deze meenam, moet deze twijfel in de gegeven omstandigheden ten voordele van betrokkene strekken. Het primaire onvoorwaardelijke strafontslag houdt in rechte geen stand. Het subsidiair verleende ontslag op grond van artikel 99, eerste lid, van het ARAR heeft een gegarandeerde voorziening verbonden als bedoeld in artikel 99, tweede lid, van het ARAR, houdt wel in rechte stand. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/1471 AW, 11/1607 AW, 13/5184 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van

28 januari 2011, 10/4339 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

het Bestuur van het Gerechtshof Den Haag (bestuur)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 25 oktober 2012 een tussenuitspraak, 11/1471 AW, 11/1607 AW-T (ECLI:NL:CRVB:2012:BY1275), gedaan.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het bestuur op 2 juli 2013 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Namens betrokkene heeft mr. K.R. Lieuw On, advocaat, een zienswijze over dit nieuwe besluit kenbaar gemaakt en een nader stuk ingezonden.

Op 30 januari 2014 is een nadere zitting gehouden. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Lieuw On. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.R.M. Berends-Schellens, advocaat, B.A. Neys en J.H.J.M. van Dartel.

OVERWEGINGEN

1.

Voor een uitgebreide weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak en de tussenuitspraak.

1.1.

Nu met het besluit van 2 juli 2013 niet geheel aan betrokkene is tegemoetgekomen, strekt het geding in hoger beroep zich, gelet op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede uit tot dit nieuwe besluit.

1.2.

In de tussenuitspraak heeft de Raad onder meer het volgende overwogen: ”De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het privé in bezit hebben en gebruiken van het desbetreffende justitiële document, zeker gelet op de gevoelige functie (…) die betrokkene vervulde, als ernstig plichtsverzuim is aan te merken. Daaraan doet niet in betekenende mate af, dat niet kon worden vastgesteld of betrokkene zich zelf toegang heeft verschaft tot het justitieel documentatiesysteem, dan wel het document op andere wijze heeft verkregen. (…) Ofschoon de gedingstukken geen op de datum van 12 december 2008 toegesneden medisch/psychische beoordeling bevatten, acht de Raad het niet onwaarschijnlijk dat betrokkene in psychotische toestand, althans in een toestand van psychische verwarring en ontreddering, verkeerde toen zij die dag op het politiebureau verscheen. Niet uitgesloten is dat zij ook in zo’n toestand verkeerde toen zij - op een niet vaststaand moment - de gewraakte justitiële documentatie in haar bezit kreeg. (…) Nu nader onderzoek naar de toerekenbaarheid achterwege is gebleven, is het bestreden besluit naar het oordeel van de Raad onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd, zodat dit besluit voor zover het betrekking heeft op het strafontslag (…) voor vernietiging in aanmerking komt, evenals de aangevallen uitspraak waarbij het in stand is gelaten. De Raad zal het bestuur (…) opdragen dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen, met inachtneming van hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen. Indien het bestuur in zijn herstelbesluit het strafontslag wil handhaven, zal dat mede gebaseerd moeten zijn op het advies van een onafhankelijke psychiater.” Wat betreft het subsidiair verleende ontslag, gebaseerd op onherstelbaar verstoorde verhoudingen, heeft de Raad geoordeeld dat herstel van een normale werkverhouding niet meer te verwachten is. Het bestuur was dan ook bevoegd betrokkene op grond van artikel 99, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) te ontslaan, met dien verstande dat een uitkering had moeten worden verleend op grond van artikel 99, tweede lid, van het ARAR. ”Nu het bestuur heeft nagelaten een dergelijke voorziening te treffen, kleeft aan het subsidiair verleende ontslag een gebrek. De Raad zal het bestuur opdragen ook dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Hierbij wordt nog overwogen, dat het aandeel van het bestuur in de verstoorde verhoudingen niet zodanig is, dat niet redelijkerwijs kan worden volstaan met toekenning van bedoelde (minimale) aanspraak. Voor toekenning van een zogenoemde plus is geen aanleiding.”

1.3.

Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het bestuur een onderzoek doen uitvoeren door het Psychiatrisch Expertisecentrum (expertisecentrum) ter beantwoording van een tiental vragen. Op 21 mei 2013 is de medische rapportage naar de bedrijfsarts gezonden. Aan het bestuur is een zogenoemd lekenverslag, zonder de vertrouwelijke medische gegevens, toegezonden. Naar aanleiding van opmerkingen van het bestuur is het antwoord op een aantal vragen verduidelijkt in een tweede, gecorrigeerde, versie van het lekenverslag. Betrokkene heeft geen machtiging willen geven aan het expertisecentrum om de gehele rapportage, inclusief medische gegevens, aan het bestuur ter beschikking te stellen. Het bestuur heeft geoordeeld dat het lekenverslag op een aantal punten onduidelijk is en tegenstrijdigheden bevat. Het bestuur heeft geconcludeerd dat betrokkene weliswaar op 12 december 2008 verminderd toerekeningsvatbaar was, maar dat haar geestestoestand niet van dien aard was dat ieder besef van de onjuistheid van haar handelen en van de mogelijke gevolgen hiervan heeft ontbroken. Mogelijk was de vrije wilskeuze bij betrokkene wel enigszins beperkt, maar zij beschikte nog wel over enig normbesef. Daarbij is van belang geacht dat betrokkene zich volgens de bedrijfsarts op 11 en 18 december 2008 coherent uitte en zich normaal gedroeg, althans samenhangend communiceerde. De verminderde toerekenbaarheid van het plichtsverzuim heeft het bestuur niet zodanig geacht dat het strafontslag geen stand zou kunnen houden. Het primair verleende strafontslag is daarom bij het nieuwe besluit van

2 juli 2013 gehandhaafd. Het gebrek dat kleefde aan het subsidiair verleende ontslag op grond van artikel 99, eerste lid, van het ARAR, is bij dat nieuwe besluit hersteld door aan betrokkene een voorziening als bedoeld in artikel 99, tweede lid, van het ARAR te garanderen.

2.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Een dag voor aanvang van de zitting heeft de Raad in afschrift een e-mail van betrokkene aan haar gemachtigde ontvangen met de mededeling dat zij in verband met verblijf buitenslands niet ter zitting aanwezig kan zijn. Zij heeft daarbij de vraag gesteld of zij één van de rechters misschien persoonlijk kent; mocht dit zo zijn dan verzoekt zij om vervanging van die rechter. Zoals ter zitting is besproken luidt het antwoord op de gestelde vraag ontkennend.

2.2.

Aan bovengenoemde e-mail was als attachment een eerdere e-mail van betrokkene aan haar gemachtigde gehecht met beschuldigingen tegen allerlei bij het gerechtshof werkzame personen. De gemachtigde van betrokkene heeft ter zitting gevraagd om de inhoud van dit attachment mee te nemen bij de oordeelsvorming. Met het bestuur oordeelt de Raad dat inwilliging van dit verzoek in strijd zou zijn met een goede procesorde, nu het bestuur eerst ter zitting kennis heeft kunnen nemen van dit stuk, dat reeds eerder bij de gemachtigde van betrokkene bekend was. Ten overvloede wordt nog opgemerkt, dat hetgeen betrokkene heeft aangevoerd zaken betreft waarover in de tussenuitspraak reeds bindend is beslist, zodat daarop in dit stadium van de procedure niet meer met vrucht kan worden teruggekomen.

2.3.

Wat betreft de toerekenbaarheid van het aan betrokkene verweten plichtsverzuim kent de Raad bijzondere betekenis toe aan het lekenverslag, nu dat de niet-medische weergave betreft van het rapport van de onafhankelijke psychiater die met instemming van beide partijen is aangewezen. Deze psychiater heeft kennis kunnen nemen van alle relevante gedingstukken, waaronder de van belang zijnde medische gegevens, de psychiater heeft betrokkene zelf onderzocht, de bedrijfsarts heeft kennis kunnen nemen van het volledige medische rapport, en het bestuur heeft mede op basis van de inbreng van de bedrijfsarts kunnen reageren op een eerdere versie van het lekenverslag, waarna een tweede, gecorrigeerde versie is vastgesteld. Daarmee is een zorgvuldige procedure gevolgd. Het bestuur wordt niet gevolgd in zijn stelling dat het, gezien de omstandigheden van het geval, over het volledige medisch-psychiatrisch rapport had moeten beschikken. Betrokkene stond in haar recht toen zij kennisname door de werkgever weigerde, nu de bedrijfsarts namens de werkgever kennis heeft kunnen nemen van het rapport.

2.4.

Samengevat heeft de psychiater blijkens het lekenverslag de vraagstelling als volgt beantwoord. Vaststaat dat betrokkene tijdens het gesprek met de verbalisanten op het politiebureau leed aan een psychiatrische stoornis. Deze stoornis beïnvloedde de gedragskeuzen en gedragingen van betrokkene tijdens het gesprek in zeer hoge mate. Het is voorstelbaar dat betrokkene tijdens het gesprek niet over voldoende normbesef beschikte, gezien het gevaarlijke en ontremde gedrag van betrokkene sinds haar eerste opname in 2008. Het is niet aannemelijk dat betrokkene zich bewust was van het feit dat het gebruik van justitiële informatie ongeoorloofd was, noch dat betrokkene de consequenties van het gebruik van justitiële informatie overzag, gezien haar gestoorde realiteitstoetsing met oordeels- en kritiekstoornissen. Het is waarschijnlijk dat betrokkene niet meer logisch kon nadenken en onder invloed stond van psychiatrische belevingen, waardoor zij niet in staat was haar wil te bepalen. Op de vraag of betrokkene in staat was om anders te handelen dan zij heeft gedaan wordt geantwoord dat haar vrije wilskeuze ten tijde van het optreden van haar psychiatrische stoornis sterk beperkt is, wellicht vrijwel volledig. In tussenliggende perioden lijkt bij betrokkene de vrije wilskeuze beperkt in de zin dat ze wel kan functioneren in algemene dagelijkse levensverrichtingen, op tijd op afspraken komen en openbaar vervoer. Echter reacties, inschattingen, oordelen en normbesef voor bijvoorbeeld sociale omgang lijken te worden gekleurd door achterdocht. De psychiater acht het buiten zijn competentie een uitspraak te doen over ontoerekeningsvatbaarheid of een vertaalslag te maken van een psychiatrisch toestandsbeeld naar een percentage van toerekeningsvatbaarheid. De psychiater heeft niet kunnen achterhalen op welk moment betrokkene de beschikking kreeg over de justitiële documentatie en in welk mate zij in een psychotische toestand verkeerde toen zij de documenten in haar tas deed of meenam. Hij acht het voorstelbaar dat zij toen inderdaad handelde vanuit haar psychiatrisch toestandsbeeld.

2.5.

Het bestuur heeft de Raad niet kunnen overtuigen van de juistheid van zijn inhoudelijke bedenkingen tegen de conclusies van het rapport. Daarbij is het volgende van belang.

2.5.1.

Dat betrokkene zich, toen de bedrijfsarts haar op 11 en 18 december 2008 zag, coherent uitte en gedroeg en er geen tekenen waren die duidden op een ernstige psychiatrische stoornis, behoeft niet in tegenspraak te zijn met de conclusies die de psychiater over haar toestand op 12 december 2008 heeft getrokken. Blijkens de weergave van het mondelinge advies dat de bedrijfsarts naar aanleiding van de rapportage van de psychiater heeft gegeven acht de bedrijfsarts zelf, terugblikkend op de situatie, voorstelbaar dat betrokkene op

12 december 2008 onder invloed was van een psychiatrische stoornis. Op grond van de reeks van gedwongen opnames van betrokkene, die aanving op 24 november 2008 en voortduurde tot mei 2012, concludeert de bedrijfsarts dat er, achteraf gezien, sprake was van een duurzame stoornis. Het standpunt van de bedrijfsarts dat er bij betrokkene sprake was van een wisselende psychiatrische toestand, waarbij na een opname de psychische toestand weer enige tijd gestabiliseerd was en er korte tijd een evenwichtstoestand leek te bestaan, waarop decompensatie volgde en de volgende gedwongen opname moest plaatsvinden, hoeft geenszins uit te sluiten dat er tijdens zo’n tussenliggende periode een tijdelijke terugval in een psychotische toestand kan hebben plaatsgevonden. In ieder geval wijst het proces-verbaal van de beide verbalisanten, waarin wordt beschreven dat betrokkene op 12 december 2008 verward was, onsamenhangend sprak, en voortdurend in haar tas op zoek was naar documenten om te bewijzen dat zij niet geestesziek zou zijn, niet op een evenwichtssituatie als door het bestuur wordt verondersteld. Daarbij dient te worden bedacht, dat de psychiater bij de formulering van de definitieve versie van zijn rapportage van de thans (weer) door het bestuur naar voren gebrachte tegenwerpingen op de hoogte moet zijn geweest en daar kennelijk anders over heeft geoordeeld; een oordeel dat de bedrijfsarts, zoals hiervoor overwogen, voorstelbaar heeft geacht.

2.5.2.

Dat betrokkene op 12 december 2008 in staat was aangifte te doen en anderhalf uur in gesprek te zijn met de verbalisanten en dat zij schrok toen de verbalisanten haar meedeelden dat zij melding zouden maken van het niet zakelijk gebruik van justitiële documentatie door betrokkene, zijn gegevens die naar het oordeel van de Raad geen afbreuk doen aan de conclusies van de psychiater. Niet uitgesloten is immers dat betrokkene, ondanks een gestoorde realiteitstoetsing met oordeels- en kritiekstoornissen en een sterk beperkte vrije wilskeuze, tijdens het gesprek wel meer of minder heldere momenten kan hebben gehad. Dit is echter onvoldoende grond voor de conclusie dat het plichtsverzuim aan betrokkene kan worden toegerekend.

2.5.3.

Ook overigens ziet de Raad geen noemenswaardige inconsistenties in de rapportage. Met name wordt het - anders dan het bestuur heeft betoogd - begrijpelijk geacht dat de psychiater over de toestand van betrokkene toen zij op 12 december 2008 op het politiebureau verscheen stelliger conclusies trekt dan over haar toestand op het tijdstip van het in bezit krijgen en meenemen van het rapport, alleen al omdat over het gedrag van betrokkene op het politiebureau een heldere beschrijving is te lezen in het proces-verbaal, terwijl over het andere tijdstip en de toestand van betrokkene op dat tijdstip geen gegevens voorhanden zijn.

2.6.

De Raad kan op basis van het vorenstaande niet anders concluderen dan dat betrokkene ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht ten tijde van het plichtsverzuim op

12 december 2008. Nu ook gerede twijfel bestaat over haar psychiatrisch toestandsbeeld ten tijde dat zij de beschikking kreeg over de justitiële documenten en ten tijde dat zij de documenten in haar tas deed en deze meenam, moet deze twijfel in de gegeven omstandigheden ten voordele van betrokkene strekken.

2.7.

Het vorenstaande brengt mee dat het besluit van 2 juli 2013, voor zover daarbij het primaire onvoorwaardelijke strafontslag is gehandhaafd, in rechte geen stand houdt. Het besluit van 10 november 2009 zal, voor zover dat betrekking heeft op dat strafontslag worden herroepen.

2.8.

Nu het bestuur bij het besluit van 2 juli 2013 aan het subsidiair verleende ontslag op grond van artikel 99, eerste lid, van het ARAR een gegarandeerde voorziening heeft verbonden als bedoeld in artikel 99, tweede lid, van het ARAR, houdt dat subsidiaire ontslag wel in rechte stand.

2.9.

Mede gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, zal de Raad voorts de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep tegen het bestreden besluit van 16 maart 2010 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

3.

Er is aanleiding om het bestuur met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in beroep en in hoger beroep. Deze worden begroot op

€ 974,- aan kosten van rechtsbijstand in beroep en € 1.704,50 aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2.678,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 maart 2010 gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 2 juli 2013 gegrond en vernietigt dat besluit voor
zover daarbij het strafontslag is gehandhaafd;

- herroept het besluit van 10 november 2009 voor zover dat het strafontslag betreft en bepaalt
dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van

2 juli 2013;

- bepaalt dat het bestuur aan betrokkene het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 377,- vergoedt;

- bepaalt dat van het bestuur in verband met het door het bestuur ingestelde hoger beroep een
griffierecht wordt geheven van € 454,-;

- veroordeelt het bestuur in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van in totaal
€ 2678,50.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2014.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) O.P.L. Hovens

IJ