Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1106

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
08-04-2014
Zaaknummer
12-5052 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Appartement in Turkije. Huuropbrengsten terecht in mindering gebracht op bijstand. Niet aannemelijk gemaakt dat sprake zou zijn van gezamendehands eigendom naar Turks recht, waarbij naast appellanten ook de drie zussen en de moeder van appellant medegerechtigde zijn. Dat zij besloten hebben om de huurinkomsten aan de moeder van appellant ten goede te laten komen, maakt het niet anders.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/150
JWWB 2014/100

Uitspraak

12/5052 WWB, 12/5053 WWB

Datum uitspraak: 1 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 mei 2012, 11/5569 (aangevallen tussenuitspraak) en tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 augustus 2012, 11/5569 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Wijchen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J. van Delft, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2014. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Van Delft. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Puijn.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 20 mei 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.1.

Bij besluit van 19 mei 2011 heeft het college, voor zover van belang, de bijstand van appellanten met ingang van 20 mei 2010 ingetrokken en de over de periode van 20 mei 2010 tot en met 31 maart 2011 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 14.330,25 van appellanten teruggevorderd. Bij besluit van 22 december 2011 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 19 mei 2011 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellanten eigenaar zijn van een appartement in [plaatsnaam] (Turkije), dat zij inkomsten uit de verhuur van dit appartement hebben genoten, en dat appellanten hiervan geen melding hebben gemaakt zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.2.

Bij de tussenuitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, geoordeeld dat de registratie van appellanten ieder voor de helft als eigenaar van het appartement in Turkije de vooronderstelling rechtvaardigt dat deze onroerende zaak een bestanddeel vormt van het vermogen, waarover appellanten beschikken dan wel redelijkerwijs kunnen beschikken. De rechtbank heeft niet aannemelijk geacht dat appellanten de huuropbrengsten met anderen moeten delen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de huurinkomsten in de te beoordelen periode 300 TL (omgerekend € 127,87) per maand bedroegen en dat daarom, anders dan het college meende, het recht op bijstand wel kon worden vastgesteld. Daarom heeft de rechtbank het college opgedragen het gebrek te herstellen en een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

1.3.

Bij besluit van 31 mei 2012 (bestreden besluit) heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 20 mei 2010 herzien, op de grond dat appellanten met ingang van die datum konden beschikken over een huuropbrengst van € 127,87 per maand. De als gevolg hiervan teveel betaalde bijstand over de periode van 20 mei 2010 tot en met 31 maart 2011 heeft het college tot een bedrag van € 2.060,35 van appellanten teruggevorderd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat zij ten onrechte als enige rechthebbenden van het appartement zijn aangemerkt. De rechtbank heeft daarbij de mogelijkheid van een gezamendehands eigendom van familievermogen miskend. Verder kunnen appellanten niet, in ieder geval niet volledig, over de huuropbrengsten van het appartement beschikken omdat de mede-eigenaren zijn overeengekomen dat de moeder van appellant, zolang zij leeft, de huurinkomsten van het appartement ontvangt als bijdrage in haar kosten van levensonderhoud.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 20 mei 2010 tot en met 19 mei 2011.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellanten ieder voor de helft als eigenaar van het appartement in het kadastrale register staan vermeld. Voorts betwisten appellanten niet dat zij hiervan en van de huuropbrengsten van het appartement bij het college geen mededeling hebben gedaan, zodat zij de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden.

4.3.

In geschil is of appellanten in de te beoordelen periode redelijkerwijs konden beschikken over het appartement en over de volledige huuropbrengst daarvan tot een bedrag van € 127,87 per maand.

4.4.

De omstandigheid dat het appartement in een officieel eigendomsregister op naam van appellanten stond geregistreerd, rechtvaardigt volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9172) de vooronderstelling dat dit appartement een bestanddeel vormt van het vermogen van appellanten waarover zij beschikken, dan wel redelijkerwijs kunnen beschikken. Deze vooronderstelling brengt mee de vooronderstelling dat appellanten tevens kunnen beschikken over de opbrengsten van de verhuur van het appartement. In een dergelijke situatie is het aan appellanten om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellanten zijn daar niet in geslaagd.

4.5.

Dat sprake zou zijn van gezamendehands eigendom naar Turks recht, waarbij naast appellanten ook de drie zussen en de moeder van appellant medegerechtigde zijn tot het appartement en/of de huuropbrengsten, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt. Zij hebben hun stelling niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Hun toelichting ter zitting dat gezamendehands eigendom van het appartement uitdrukkelijk de bedoeling was van de betrokken familieleden, maar dat die situatie alleen nooit is geformaliseerd, bevestigt het tegendeel van hun stelling.

4.6.

Wat onder 4.5 is overwogen, leidt tot de slotsom dat appellanten als eigenaren van het appartement in [plaatsnaam] in de te beoordelen periode redelijkerwijs over de volledige huuropbrengsten van het appartement hebben kunnen beschikken, zodat deze terecht op de bijstandsnorm in mindering zijn gebracht. Dat zij besloten hebben om de huurinkomsten aan de moeder van appellant ten goede te laten komen, maakt dit niet anders.

4.7.

Uit 4.5 en 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak, beide voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komen.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen tussenuitspraak voor zover aangevochten;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en R.H.M. Roelofs en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) P.J.M. Crombach

HD