Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1105

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2014
Datum publicatie
08-04-2014
Zaaknummer
13-1700 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functieonderhoud. Appellant is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de hem feitelijk opgedragen werkzaamheden wezenlijk afweken van de voor hem geldende functie en in samenhang daarmee van de voor hem geldende functiebeschrijving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2014/396

Uitspraak

13/1700 AW

Datum uitspraak: 3 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 februari 2013, 12/2655 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond, ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens appellant heeft mr. S. Bakker hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. S. Bakker. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.J. Bakker, mr. M.H.E. van Veeren en L.M. van den Hil.

OVERWEGINGEN

1.1. In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008-2010 is onder meer afgesproken dat voor de sector Politie landelijk een nieuw functiegebouw zal gaan gelden. Er is een stelsel van ongeveer 100 organieke functies met daarbij behorende functiebenamingen ontwikkeld, voorzien van een waardering per organieke functie. Op basis van matching wordt een vertaalslag gemaakt van de oude naar de nieuwe functies, inclusief de bijbehorende waardering. Het nieuwe stelsel wordt aangeduid als het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP). Invoering van het LFNP geschiedt in twee stappen. De eerste stap is de vaststelling van de uitgangspositie(s) van de ambtenaar in de periode vanaf 31 december 2009 tot en met 31 maart 2011. In dit verband worden de uitgangspositie(s) omschreven als: de functie(s) en in samenhang daarmee de functiebeschrijving(en) en/of de schriftelijk opgedragen werkzaamheden en/of bijzondere situaties (zoals outplacement) van een ambtenaar op enig moment vanaf 31 december 2009, zoals vastgelegd in een besluit of in besluiten. Met het oog op het bepalen van de uitgangspositie(s) wordt aan alle ambtenaren een voorgenomen besluit uitgangspositie(s) gezonden. Daarin wordt onder meer gewezen op de mogelijkheid om eenmalig functieonderhoud aan te vragen op de wijze zoals omschreven in artikel 3 van de Tijdelijke regeling functieonderhoud politie (Trfp). Toegekend functieonderhoud is van invloed op de uitgangspositie. De tweede stap is de feitelijke matching van de uitgangspositie(s) van de ambtenaar met een functie uit het LFNP.

1.2. Appellant was werkzaam als [functie 1] bij de Regionale Recherche Dienst (RRD), Eenheid Georganiseerde criminaliteit, van de (voormalige) politieregio Rotterdam-Rijnmond. Sinds 1 mei 2007 ontvangt appellant een toelage om reden van werving en behoud, ter hoogte van het verschil tussen salarisklasse 10, periodieknummer 14, en salarisklasse 11, periodieknummer 10. De voor appellant geldende functiebeschrijving bestaat uit het functie-informatieformulier van de functie Thematisch Expert en de takenmatrix opsporing van de RRD (tactisch en thematisch).

1.3. Op 21 april 2011 heeft de korpschef het voornemen kenbaar gemaakt om de functie van [functie 1] aan te merken als uitgangspositie van appellant voor de omzetting naar het LFNP. Appellant heeft naar aanleiding hiervan een aanvraag gedaan om functieonderhoud.

1.4. Bij besluit van 14 november 2011 heeft de korpschef dit verzoek afgewezen. Bij afzonderlijk besluit van 14 november 2011 heeft de korpschef appellants uitgangspositie in overeenstemming met eerdergenoemd voornemen vastgesteld. Beide besluiten zijn na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 mei 2012 (bestreden besluit).

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat appellant structureel is belast met andere werkzaamheden dan in zijn functiebeschrijving staan vermeld, of dat zijn uitgangspositie onjuist is vastgesteld. Dat appellant bovengemiddeld goed functioneert, wat ertoe heeft geleid dat de korpschef aan appellant een toelage om reden van werving en behoud heeft verleend, betekent niet dat op die grond een verzoek om functieonderhoud moet worden gehonoreerd. Naar aanleiding van een zestal ter zitting door appellant genoemde werkzaamheden - volgens appellant overeenkomend met de vacature voor de functie van [functie 2] bij de RRD - heeft de rechtbank overwogen dat het eerst ter zitting aanvoeren van deze grond in strijd is te achten met de goede procesorde, zodat deze grond buiten beschouwing blijft.

3.

Appellant heeft op de hierna te bespreken gronden hoger beroep ingesteld.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 2, tweede lid, in verbinding met artikel 1, aanhef en onder h, van de Trfp is bepaald dat de ambtenaar in de aanvraag tot functieonderhoud aannemelijk maakt dat hij gedurende ten minste een jaar op enig moment binnen de periode vanaf 31 december 2009 tot en met 31 maart 2011 feitelijk opgedragen werkzaamheden heeft verricht die wezenlijk afwijken van de voor hem geldende functie en in samenhang daarmee van de voor hem geldende functiebeschrijving. Is dit niet het geval, dan wijst het bevoegd gezag op grond van artikel 4 van de Trfp de aanvraag af.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak gaat het bij een verzoek om functieonderhoud om de vraag of de feitelijk opgedragen werkzaamheden gedurende langere tijd wezenlijk afwijken van de functiebeschrijving. Het is aan de betrokkene om dat aannemelijk te maken. Bij de beantwoording van die vraag is een slechts terughoudende toetsing niet op haar plaats nu die beantwoording zich moet richten op de vaststelling van feiten (CRvB 21 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2588).

4.3.

Appellant heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar een brief van zijn leidinggevenden van 16 januari 2012, herhaald dat hij een aantal niet in de beschrijving van zijn functie opgenomen werkzaamheden heeft verricht, waaronder met name werkzaamheden op het gebied van het organiseren van seminars en het tot stand brengen van samenwerkingsverbanden. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het organiseren van seminars is te brengen onder ‘het overbrengen van diepgaande kennis’ en ‘het verzorgen van vakmatige publicaties, lezingen en opleidingen’ en dat het tot stand brengen van samenwerkingsverbanden is te begrijpen onder taak 64: ‘bouwt en onderhoudt een netwerk met nationale en internationale deskundigen’, een en ander zoals vermeld in de voor appellant geldende functiebeschrijving. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.4.

De Raad kan appellant evenmin volgen in zijn betoog dat de rechtbank de door hem eerst ter zitting naar voren gebrachte - aan het slot van rechtsoverweging 2 weergegeven - beroepsgrond ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. Nu de korpschef zich daar niet op heeft kunnen voorbereiden en voorts niet is gebleken dat deze beroepsgrond niet eerder aangevoerd had kunnen worden, heeft de rechtbank de handelwijze van appellant terecht in strijd met de goede procesorde geoordeeld. Dit neemt niet weg dat de Raad in hoger beroep wel acht dient te slaan op de desbetreffende beroepsgrond.

4.5.

Ter zitting van de Raad heeft de korpschef alsnog gereageerd op de onder 4.4 bedoelde - in hoger beroep door appellant staande gehouden - beroepsgrond. De korpschef heeft overtuigend toegelicht dat (ook) de zes ter zitting van de rechtbank door appellant genoemde werkzaamheden zijn onder te brengen in de voor appellant geldende functiebeschrijving en daar niet wezenlijk van verschillen. Appellant is er ook in zoverre niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de hem feitelijk opgedragen werkzaamheden wezenlijk afweken van de voor hem geldende functie en in samenhang daarmee van de voor hem geldende functiebeschrijving.

4.6.

Appellant heeft tegen de bij het bestreden besluit gehandhaafde vaststelling van zijn uitgangspositie in het kader van het LFNP geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat dit besluitonderdeel geen verdere bespreking behoeft.

4.7.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2014.

(getekend) R. Kooper

(getekend) B. Rikhof

IJ