Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1096

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2014
Datum publicatie
08-04-2014
Zaaknummer
12-3512 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1)Typering en waardering van de functie. Tussenuitspraak. Motiveringsgebrek hersteld. Waardering niet als onhoudbaar aan te merken. Voor het optimaal doen functioneren van een eenheid is 5 punten de hoogst mogelijke waardering. Met de toekenning van 5 punten is zowel het optimaal doen functioneren van de afdeling Vervangend Werkgeverschap als het beheer voor de afdeling Personeels-voorzieningen in aanmerking is genomen. 2) Ingangsdatum van de functiewaardering. Niet is gebleken dat door het college aan appellant een toezegging is gedaan. Uit het door appellant overgelegde verslag blijkt dat een dergelijke toezegging slechts is gedaan aan de medewerkers van de afdeling Personeelsnet. Appellant behoort niet tot die afdeling. Ingangsdatum van de functiewaardering terecht op 1 september 2009 vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3512 AW

Datum uitspraak: 3 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

22 mei 2012, 11/2602 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P.J. van de Griend hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. S.C. Lap een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Griend. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Lap, S.E. Vrijburg en A. van Loenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in 1980 aangesteld bij de gemeente Amsterdam. Vanaf 2001 tot 2006 was hij interim-manager bij de [naam bedrijf]. Sinds de opheffing van de [naam bedrijf] per 1 januari 2006 is appellant werkzaam als manager overige bestuursopdrachten bij het nieuwe Shared Service Center HR, thans Servicehuis Personeel (SHP) geheten.

1.2. In 2009 zijn alle functies binnen SHP door middel van de Methode voor het Rangordenen van Functies (MRF) opnieuw getypeerd en gewaardeerd. Het functieboek is vastgesteld op

1 september 2009. Appellant heeft een zienswijze ingediend tegen de typering en waardering van de functie Afdelingsmanager (generiek) A1. Bij besluit van 22 maart 2010 is een nieuwe, niet generieke functietypering toegekend aan de functie Afdelingsmanager Personeelsvoorzieningen. Bij besluit van 9 juli 2010 is het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard; het besluit van 22 maart 2010 is herroepen en aangemerkt als voorgenomen besluit waartegen appellant een zienswijze kon indienen.

1.3. Appellant geeft leiding aan de afdeling Personeelsvoorzieningen (2,56 fte). Daarnaast is hij afdelingsmanager van de afdeling Vervangend Werkgeverschap met een wisselend aantal fte’s. Op 28 december 2010 heeft de directeur SHP het voornemen kenbaar gemaakt om de functie van appellant als de unieke functie van Afdelingsmanager personeelsvoorzieningen aan te merken, deze functie te waarderen met 82 punten, welke score leidt tot indeling in schaal 13, en de ingangsdatum te handhaven op 1 september 2009. Bij besluit van 8 februari 2011 zijn de typering en waardering van de functie overeenkomstig het voornemen vastgesteld.

1.4. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 11 mei 2011 ongegrond verklaard. Daartegen heeft appellant beroep ingesteld. Omdat het besluit van 11 mei 2011 onbevoegd was genomen, heeft het college met het besluit van 25 augustus 2011 dat gebrek hersteld en het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep mede gericht geacht tegen het besluit van 25 augustus 2011 (bestreden besluit). Na een tussenuitspraak heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Daartoe is overwogen dat het college, inhoudende de in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebreken heeft hersteld. Gelet op de nadere uitleg van het college, inhoudende dat op het aspect V2 (Verantwoordelijkheid voor het werk en functioneren van anderen) het leidinggeven aan de afdeling Personeelsvoorzieningen kan worden geschaard binnen de waardering voor het optimaal doen functioneren van de grotere eenheid Vervangend Werkgeverschap, kan deze waardering niet als onhoudbaar worden aangemerkt. Voorts is de ingangsdatum van de functiewaardering terecht op 1 september 2009 gesteld. De ontkenning door het college dat appellant een toezegging zou zijn gedaan, heeft appellant niet kunnen weerleggen door middel van bewijs van een schriftelijke ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging. Uit het verslag van het werkoverleg Personeelsnet van 2 juli 2008 blijkt dat alleen aan de medewerkers van de afdeling Personeelsnet de toezegging is gedaan dat inschalingen een terugwerkende kracht tot september 2008 krijgen. Ten slotte is niet gebleken dat appellant eerder een verzoek om functieonderhoud heeft gedaan.

3.

In hoger beroep heeft appellant de juistheid van die uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8698) is de rechterlijke toetsing bij functiewaardering terughoudend. De rechter moet beoordelen of de waardering op onvoldoende gronden berust. Dit betekent dat pas tot vernietiging van de bestreden waardering wordt overgegaan als deze als onhoudbaar wordt aangemerkt. Daarvoor is ontoereikend dat een andere waardering op zichzelf verdedigbaar is.

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte is meegegaan in het standpunt van het college dat het lagere niveau geschaard kan worden binnen de waardering voor het hogere niveau. Dit uitgangspunt is volgens appellant niet terug te vinden in de regeling en is niet te rijmen met het gegeven dat in de waardering op de aspecten K2, Z3 en V1 van de MRF-systematiek wel punten bij elkaar opgeteld worden. Appellant bepleit dat bij de waardering op het aspect V2 naast 5 punten voor het optimaal doen functioneren van de afdeling Vervangend Werkgeverschap 2 punten worden toegekend voor het beheer van de afdeling Personeelsvoorzieningen. De Raad volgt appellant daarin niet. De tabel behorend bij het aspect V2 bevat een oplopende waardering die in de graderingen tot en met 5 punten betrekking heeft op de combinatie van het optimaal doen functioneren van een eenheid en het beheer van een eenheid. De hoogte van de waardering is afhankelijk van de omvang van de eenheid waarover het beheer wordt gevoerd en van de omvang van de afdeling en de zelfstandigheid van de medewerkers waarvoor verantwoordelijkheid wordt gedragen. Voor het optimaal doen functioneren van een eenheid is 5 punten de hoogst mogelijke waardering. Vanaf een waardering van 6 punten of meer is uitsluitend nog de omvang van de eenheid waarover beheer wordt gevoerd van belang. Niet in geschil is dat appellant geen beheer voert over een eenheid waarvoor op grond van de omvang een waardering met 6 of meer punten kan worden toegekend. In het licht van de opbouw van deze tabel volgt de Raad de uitleg van het college dat met de toekenning van 5 punten zowel het optimaal doen functioneren van de afdeling Vervangend Werkgeverschap als het beheer voor de afdeling Personeels-voorzieningen in aanmerking is genomen. Dat niet alle functionele bestanddelen van zijn functie in aanmerking zijn genomen, zoals appellant heeft aangevoerd, wordt dan ook niet gedeeld. De Raad volgt appellant evenmin waar hij stelt dat het college ten aanzien van de aspecten K2, Z3 en V1 wel punten heeft opgeteld in verband met zijn werkzaamheden voor beide afdelingen. Bij deze aspecten heeft het college, net als bij het aspect V2, de indeling in een gradering gebaseerd op het geheel van werkzaamheden van appellant voor de afdeling Personeelsvoorzieningen en voor de afdeling Vervangend Werkgeverschap. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat de waardering van de functie op het aspect V2 onhoudbaar is.

4.3.

Voorts heeft appellant aangevoerd dat de ingangsdatum van de functiewaardering moet worden vastgesteld op 1 januari 2006, dan wel op de datum waarop andere functies bij het SHP zijn gewaardeerd, namelijk 1 september 2008. De Raad volgt appellant daarin evenmin. Daarbij is van belang dat appellant per 1 januari 2006 in een nieuwe functie terecht is gekomen die nog aan verandering onderhevig was. Duidelijk was dat de functie nog moest worden beschreven en gewaardeerd. Daarbij komt dat appellant ook niet zelf heeft verzocht om zijn functie op een eerder moment te beschrijven en te waarderen, maar de afdelingsbrede functiewaarderingsoperatie heeft afgewacht. Ook is er geen aanleiding voor het oordeel dat de ingangsdatum 1 september 2008 had moeten zijn. Niet is gebleken dat door het college aan appellant een toezegging is gedaan. Uit het door appellant overgelegde verslag blijkt dat een dergelijke toezegging slechts is gedaan aan de medewerkers van de afdeling Personeelsnet. Appellant behoort niet tot die afdeling, zodat die toezegging niet op hem kan zien. Dit betekent dat het college de ingangsdatum van de functiewaardering terecht op 1 september 2009 heeft vastgesteld.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en C.H. Bangma en W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2014.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) P. Uijtdewillegen

JvC