Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1088

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
03-04-2014
Zaaknummer
13-1078 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WW-uitkering. Boete. Appellant heeft geen melding gemaakt van zijn werkzaamheden voor de werkgever. Appellant was van deze rechtstreeks uit de WW voortvloeiende verplichting op de hoogte gesteld door de hem ter hand gestelde brochure ‘Een WW-uitkering, en nu?’. Het laten verlopen van de inschrijving als werkzoekende is, anders dan appellant veronderstelt, niet hetzelfde als het verstrekken van inlichtingen in de zin van artikel 25 van de WW. Appellant heeft artikel 25 van de WW dan ook geschonden. Het Uwv heeft de uitkering dan ook terecht herzien en teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1078 WW

Datum uitspraak: 2 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

8 januari 2013, 12/140 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2014. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.A. Swarts.

OVERWEGINGEN

1.

Appellant was met ingang van 1 september 2009 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), gebaseerd op een verlies van 38 arbeidsuren per week. Op 4 april 2011 is appellant voor de periode van een half jaar en voor een werktijd van 38 uur per week in dienst getreden van [naam B.V.] te [vestigingsplaats] ([werkgever]). Na beëindiging van het dienstverband bij [werkgever] op 3 oktober 2011 is appellant begonnen met werkzaamheden als zelfstandige. Appellant heeft van al zijn werkzaamheden geen mededeling gedaan aan het Uwv.

2.

Bij besluit van 6 oktober 2011 heeft het Uwv de WW-uitkering met ingang van 1 april 2011 herzien en hetgeen in dat verband onverschuldigd is betaald aan WW-uitkering, een bedrag van € 14.455,96, van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 20 oktober 2011 heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 1.080,-, omdat hij het Uwv niet op de hoogte had gesteld van zijn werkhervatting.

3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 6 en 20 oktober 2011. Bij besluit van 25 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het eerder ingenomen standpunt niet gehandhaafd. Het terug te vorderen bedrag aan onverschuldigd betaalde WW-uitkering heeft het Uwv verlaagd naar € 11.153,01, terwijl de boete is verlaagd naar € 820,-. Deze verlaging van de terugvordering vloeide voort uit de verrekening van inkomsten van appellant uit zijn werkzaamheden bij [werkgever] in verband met de toepassing van artikel 35aa, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW, omdat appellant langer dan een jaar werkloos was geweest. De hoogte van de boete was gebaseerd op het te veel aan uitkering betaalde over de weken 14 tot en met 29 van 2011.

4.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank had appellant niet voldaan aan zijn uit artikel 25 van de WW voortvloeiende verplichting om onverwijld en uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden aan het Uwv mee te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk was dat deze van invloed konden zijn op zijn recht op uitkering, het geldend maken ervan, de hoogte of de duur ervan of het bedrag ervan. Appellant mocht er niet van uitgaan dat het Uwv uit het niet verlengen van zijn inschrijving als werkzoekende kon afleiden dat hij werk had gevonden en inkomsten genoot. Daarbij onderschreef de rechtbank het standpunt van het Uwv dat er diverse stukken waren waaruit genoegzaam bleek van de verplichtingen die op appellant rustten.

5.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij gerechtvaardigd mocht aannemen dat hij kon volstaan met het niet verlengen van zijn inschrijving als werkzoekende. Appellant heeft verder gesteld dat de rechtbank ten onrechte niet zijn WW-rechten in de periode na 3 oktober 2011 in beschouwing heeft genomen.

6.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.1. Op grond van artikel 25 van de WW is de werknemer verplicht aan het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

6.1.2. Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW herziet het Uwv een besluit tot toekenning van uitkering of trekt het dat in indien het niet nakomen van een verplichting op grond van artikel 25 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering.

6.1.3. Op grond van artikel 27a, eerste lid, van de WW legt het Uwv een bestuurlijke boete op van ten hoogste € 2.269,- ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 25.

6.1.4. Op grond van artikel 36 van de WW wordt de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a onverschuldigd is betaald, door het Uwv teruggevorderd.

6.2.

Appellant heeft geen melding gemaakt van zijn werkzaamheden voor [werkgever]. Appellant was van deze rechtstreeks uit de WW voortvloeiende verplichting op de hoogte gesteld door de hem ter hand gestelde brochure ‘Een WW-uitkering, en nu?’. Het laten verlopen van de inschrijving als werkzoekende is, anders dan appellant veronderstelt, niet hetzelfde als het verstrekken van inlichtingen in de zin van artikel 25 van de WW. Appellant heeft artikel 25 van de WW dan ook geschonden. Het Uwv heeft de uitkering dan ook terecht herzien en teruggevorderd.

6.3.

Anders dan appellant veronderstelt, en zoals de rechtbank ook reeds heeft uitgesproken, is het recht op WW-uitkering per 3 oktober 2011 geen onderwerp van dit geding.

6.4.

Het niet nakomen van de uit artikel 25 van de WW voortvloeiende inlichtingenverplichting is geheel verwijtbaar. Over het bestaan en de aard van die verplichting kon geen misverstand bestaan. De opgelegde boete is dan ook evenredig aan de ernst van de schending van het wettelijk voorschrift.

6.5.

Voor het overige wordt volstaan te verwijzen naar het bestreden besluit.

6.6.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

7.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2014.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) E. Heemsbergen

EK