Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1087

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
08-04-2014
Zaaknummer
13-1378 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verrekening inkomsten die appellant als startende zelfstandige heeft genoten, met WW-uitkering. De beroepsgrond van appellant, dat hij door het Uwv niet duidelijk is geïnformeerd over de mogelijkheid dat hij zijn WW-uitkering geheel of gedeeltelijk zou moeten terugbetalen, slaagt niet. Appellant had kunnen weten dat de ondernemersaftrek in aanmerking zou worden genomen, door de geldende regelgeving te raadplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1378 WW

Datum uitspraak: 2 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van

30 januari 2013, 12/996 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2014. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.

Het Uwv heeft appellant met ingang van 1 januari 2009 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Appellant heeft bij besluit van

9 april 2009 toestemming gekregen om gedurende de periode van 1 april 2009 tot en met

4 oktober 2009 met behoud van zijn WW-uitkering een eigen bedrijf te starten. De

WW-uitkering van appellant is over die periode betaald als voorschot en achteraf verrekend met de inkomsten die appellant als startende zelfstandige heeft genoten. Dit heeft geleid tot een besluit van 21 juni 2012, waarbij een bedrag van € 6.614,09 van appellant is teruggevorderd. Bij besluit van 17 september 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 juni 2012 ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn bij de rechtbank ingenomen standpunt herhaald. Dat komt erop neer dat het Uwv hem niet op een duidelijke manier kenbaar heeft gemaakt dat hij mogelijk zijn WW-uitkering zou moeten terugbetalen en dat ook niet aan hem is gemeld dat bij het bepalen van de hoogte van zijn inkomen de ondernemersaftrek zou worden opgeteld bij de behaalde winst en aldus in aanmerking zou worden genomen bij de berekening van de inkomsten die verrekend zouden worden met de WW-uitkering.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Omdat het hoger beroep van appellant geen betrekking heeft op de berekening van zijn inkomsten uit arbeid, noch op de berekening van de terugvordering zal de Raad, zich beperkend tot het punt van geschil, slechts een oordeel geven over de in 3.1 weergegeven grond van appellant dat hij door het Uwv onvoldoende is geïnformeerd.

4.2.1.

Appellant heeft op 13 februari 2009 een gesprek gehad met een werkcoach van het Uwv. Uit het daarvan opgemaakte verslag, dat door appellant voor gezien is ondertekend, blijkt dat toen de plannen van appellant om een winkel te openen aan de orde zijn geweest en dat appellant een ondernemingsplan heeft ingediend. De werkcoach heeft appellant de folder ‘Kan ik met een uitkering voor mezelf beginnen?’ meegegeven. In die folder is onder meer vermeld hoe en wanneer de inkomsten uit de startperiode worden verrekend. Op bladzijde 7 van die folder staat: “Tijdens de startperiode krijgt u uw WW-uitkering als voorschot. Na twee jaar bekijkt UWV of u dat voorschot geheel of gedeeltelijk moet terugbetalen. Hoeveel u van dat voorschot moet terugbetalen, ligt aan de winst die u heeft gemaakt.”

4.2.2.

In het besluit van 9 april 2009 tot toekenning van de startperiode is appellant erop gewezen dat zijn WW-uitkering tijdens de startperiode doorloopt, dat het Uwv 70% van de inkomsten als zelfstandige op die uitkering in mindering moet brengen en dat het Uwv appellant na de startperiode nader zal informeren over de verrekening van zijn inkomsten met de WW-uitkering.

4.2.3.

In het besluit van 6 oktober 2009 tot beëindiging van de WW-uitkering van appellant met ingang van 5 oktober 2009 ten slotte, is opgenomen dat een inkomstenverrekening zal plaatsvinden met de WW-uitkering, waarbij voor het vaststellen van die inkomsten wordt uitgegaan van de belastbare inkomsten over de kalenderjaren 2009 en 2010.

4.2.4.

Gezien 4.2.1 tot en met 4.2.3 slaagt de beroepsgrond van appellant, dat hij door het Uwv niet duidelijk is geïnformeerd over de mogelijkheid dat hij zijn WW-uitkering geheel of gedeeltelijk zou moeten terugbetalen, niet.

4.3.

De stelling van appellant dat het Uwv hem er in de schriftelijke contacten niet op heeft gewezen dat de ondernemersaftrek in aanmerking zou worden genomen bij de vaststelling van de inkomsten die verrekend zouden worden met zijn WW-uitkering is juist. Dit levert echter geen reden op om over te gaan tot vernietiging van het bestreden besluit, nu appellant had kunnen weten dat de ondernemersaftrek in aanmerking zou worden genomen, door de geldende regelgeving te raadplegen. Daarin is onder de omschrijving van de inkomsten die op grond van artikel 35aa, eerste lid, van de WW worden verrekend met de WW-uitkering, onder meer opgenomen dat de belastbare winst uit onderneming wordt vermeerderd met de ondernemersaftrek.

4.4.

Het hoger beroep slaagt niet. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2014.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) E. Heemsbergen

QH