Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1085

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
03-04-2014
Zaaknummer
10-7084 TW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering tot het nemen van een nieuw besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/7084 TW

Datum uitspraak: 2 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van

22 november 2010, 09/2912 en 09/2913 (aangevallen uitspraak), voor zover de aangevallen uitspraak ziet op de zaak 09/2913

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Elfferich-van der Woude hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft - gevoegd met het geding onder nummer 10/7083 WAO - plaatsgevonden op 31 augustus 2012. Na de zitting is de behandeling van de zaken gesplitst en is het onderzoek heropend.

Partijen hebben hun standpunten nader schriftelijk uiteengezet.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 19 februari 2014. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F.H.M.A. Swarts.

OVERWEGINGEN

1.1.Voor een overzicht van de van belang zijnde feiten verwijst de Raad allereerst naar de uitspraak van de Raad van 19 december 2013 in de afgesplitste zaak met nummer 10/7083 (ECLI:NL:CRVB:2013:2987). Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

1.2. Bij beslissing op bezwaar van 26 november 2009 (bestreden besluit) tegen het uitblijven van een beslissing heeft het Uwv, met verwijzing naar eerder genomen besluiten over de wijze van invordering, geweigerd een nieuw besluit te nemen over de invordering van door appellant terug te betalen bedragen. Voorts is bij het bestreden besluit alsnog beslist over de rechten van appellant op een WAO-uitkering over de periode 1 januari 2003 tot 13 mei 2004.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat het Uwv ten onrechte heeft nagelaten specificaties te verstrekken van de reeds ingehouden bedragen.

3.2.

Het Uwv heeft zijn standpunt gehandhaafd dat aan appellant bij in ieder geval de besluiten van 27 november 2007 en 11 februari 2008 beslissingen zijn genomen over de invordering van de van appellant teruggevorderde uitkeringen zodat er geen aanleiding is daarop terug te komen. Voorts heeft het Uwv met specifieke verwijzingen naar de in het dossier aanwezige stukken bij brief van 24 mei 2013 over de periode vanaf 1 augustus 1998 uiteengezet welke wijzigingen zich in de aanspraken van appellant op uitkering vanaf die datum hebben voorgedaan en welke gegevens en besluiten daaraan ten grondslag hebben gelegen.

4.

De Raad komt tot hetzelfde oordeel als de rechtbank in de aangevallen uitspraak en verenigt zich met het standpunt van het Uwv dat met betrekking tot de invordering geen aanleiding bestaat om op de eerder genomen besluiten terug te komen. De Raad voegt hier aan toe dat in de uitvoerige brief van het Uwv van 24 mei 2013, zoals deze nog is aangevuld bij brief van 25 juli 2013, en waarin nauwgezet en overtuigend het verloop van appellants uitkeringssituatie is weergegeven, geen aanknopingspunten zijn gelegen voor een andersluidend oordeel.

5.

Nu het hoger beroep niet slaagt, is veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk, zodat dit verzoek wordt afgewezen. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze ziet op de zaak 09/2913;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) J.C. Hoogendoorn

IvR