Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1060

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
08-04-2014
Zaaknummer
10-3138 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter uitvoering van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3855) heeft het college nieuwe beslissingen genomen waarbij de aanvragen om bijstand met een gewijzigde motivering opnieuw is afgewezen. Geen juiste uitvoering gegeven aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht. Ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat, wanneer appellant onvindbaar is, hij geen mogelijkheden ziet het recht op bijstand vast te stellen. Procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/3138 WWB, 11/1765 WWB, 13/4722 WWB

Datum uitspraak: 1 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in de gedingen tussen partijen op 18 maart 2013 ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3855, een tussenuitspraak, gedaan.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college op 31 mei 2013 een nieuwe beslissing op de bezwaren genomen.

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, bij brief van 8 juli 2013 een zienswijze geven.

Het nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2013. Namens appellant is mr. Van Dijk verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Jalving en mr. J.T. Bos. De behandeling van het geding ter zitting is geschorst en gemachtigde van appellant is in de gelegenheid gesteld contact te zoeken met zijn cliënt.

Bij brief van 26 november 2013 heeft gemachtigde van appellant de Raad nader geïnformeerd.

Het college heeft bij brief van 15 januari 2014 gereageerd.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer van de Raad.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder nadere zitting. De Raad heeft het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden waarvan de Raad bij zijn oordeelsvorming uitgaat wordt verwezen naar de tussenuitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

2.

Bij de tussenuitspraak heeft de Raad het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen. In dat kader moet het college het recht op bijstand van appellant beoordelen naar aanleiding van zijn aanvragen van 3 november 2009 en van 24 maart 2010.

3.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college op 31 mei 2013 een nieuwe beslissing op de bezwaren genomen. Het college heeft het bezwaar gericht tegen het besluit van 17 november 2009, waarbij de aanvraag om bijstand vanaf 3 november 2009 is afgewezen, met een gewijzigde motivering, ongegrond verklaard. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant moet worden aangemerkt als werkzoekende en dat appellant op grond van artikel 11, tweede lid, van de WWB geen recht op bijstand heeft. Het college verwijst hierbij naar artikel 24 tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG (Richtlijn) en artikel 14, vierde lid, onder b, van de Richtlijn op grond waarvan het gastland niet verplicht is een recht op sociale bijstand toe te kennen gedurende de eerste drie maanden van verblijf of de in laatst genoemde artikel bedoelde langere periode. Daarnaast heeft het college het bezwaar gericht tegen het besluit van 29 maart 2010, waarbij de aanvraag om bijstand vanaf 24 maart 2010 is afgewezen, eveneens met een gewijzigde motivering, ongegrond verklaard. Het college stelt zich op het standpunt dat appellant moet worden aangemerkt als werkzoekende als hiervoor omschreven en dat hij geen duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit van 31 mei 2013 wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

4.2.

Ter zitting van de Raad op 15 oktober 2013 heeft gemachtigde van appellant meegedeeld al zeer lange tijd geen contact meer te hebben gehad met zijn cliënt. In zijn brief van

26 november 2013 heeft de gemachtigde gemeld dat hij zijn cliënt niet heeft kunnen bereiken en dat hij niet weet waar zijn cliënt thans verblijft en evenmin nog mogelijkheden ziet om hem te bereiken. Hij trekt de hoger beroepen niet in omdat er nog belang bestaat bij een proceskostenveroordeling nu het college in hoger beroep weliswaar niet tegemoetgekomen is aan de bezwaren maar wel een nieuwe motivering heeft moeten geven, zodat het college redelijkerwijs in de kosten veroordeeld moet worden.

4.3.

Ter zitting van 15 oktober 2013 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat, wanneer appellant onvindbaar is, hij geen mogelijkheden ziet het recht op bijstand vast te stellen. Naar aanleiding van de in 4.2 genoemde brief van gemachtigde van appellant heeft het college bij brief van 15 januari 2014 herhaald dat er onvoldoende - financiële - gegevens zijn om het recht op bijstand van appellant in het kader van zijn aanvragen alsnog te kunnen beoordelen.

Hoger beroep inzake aangevallen uitspraak 1

4.4.

Uit 4.2 volgt dat gemachtigde van appellant het hoger beroep niet heeft ingetrokken uitsluitend omdat belang bestaat bij een proceskostenveroordeling.

4.5.

Het is vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8633, dat sprake is van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.

4.6.

Nu niet gebleken is van enig ander proces belang, waaronder een verzoek om de in verband met het bezwaar gemaakte kosten te vergoeden dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Hoger beroep aangevallen uitspraak 2

4.7.

In deze zaak is - tijdig - verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten, zodat appellant procesbelang heeft behouden.

4.8.

Onder verwijzing naar de tussenuitspraak van 18 maart 2013 in het bijzonder rechtsoverweging 4.15 en 4.16, heeft het college met het besluit van 31 mei 2013 geen juiste uitvoering gegeven aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht. Het beroep tegen dit besluit wordt gegrond verklaard en dit besluit wordt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigd voor zover daarbij de aanvraag om bijstand van 24 maart 2010 is afgewezen.

4.9.

Vervolgens dient te worden bezien welke gevolg aan dit oordeel gegeven moet worden. Appellant is onvindbaar. Het college heeft zich op het - niet weersproken - standpunt gesteld dat het niet beschikt over voldoende gegevens om het recht op bijstand vast te kunnen stellen. Dit heeft tot gevolg dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 31 mei 2013 in stand kunnen blijven.

4.10.

Wat in de tussenuitspraak en hiervoor is overwogen leidt tot de hierna te vermelden beslissing.

5.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. De kosten worden begroot op € 1.461,- in beroep en op € 1.704,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 niet-ontvankelijk;

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak 2;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 26 juli 2010;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 31 mei 2013 gegrond voor zover dat ziet op de afwijzing van de aanvraag om bijstand van 24 maart 2010;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand blijven;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.165,50;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in beide zaken in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 305,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2014.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) J.T.P. Pot

IJ