Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:103

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-01-2014
Datum publicatie
28-01-2014
Zaaknummer
12-2692 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Intrekking en terugvordering bijstand. Overschrijding vermogensgrens. Schending inlichtingenverplichting. Beleende en weer teruggekochte sieraden. Geen aanknopingspunten dat die sieraden niet aan appellante toebehoorden. Appellante heeft niet aan de hand van objectieve en verifieerbare informatie aannemelijk gemaakt dat het college de waarde van de sieraden op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. 2) Terugvordering geldlening. Geen dringende redenen hiervan af te zien. 3) Buiten behandeling laten nieuwe aanvraag om bijstand. Appellante heeft de door het college gevraagde gegevens niet binnen de daarvoor gegeven termijn heeft verstrekt. De bankafschriften waren noodzakelijk om inzicht te krijgen in de recente financiële situatie van appellante en daarmee noodzakelijk voor een goede beoordeling van haar aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2692 WWB, 12/2693 WWB, 12/2694 WWB

Datum uitspraak: 21 januari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 maart 2012, 11/4023, 11/4024 en 11/4025 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.A. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2013. Namens appellante is verschenen mr. Bakker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E.P. Ebbinge.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Intrekking en terugvordering

1.1.

Appellante ontving met ingang van 15 augustus 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij het toekenningsbesluit van 2 oktober 2007 heeft het college het vermogen van appellante vastgesteld op nihil.

1.2.1.

Tijdens een gesprek op 29 december 2009 heeft appellante diverse pandbewijzen getoond van sieraden die zij had beleend bij de Stadsbank van Lening van de gemeente Amsterdam (Stadsbank). Appellante heeft bij die gelegenheid aan een medewerker van de Hoofdafdeling Sociale Zekerheid van de gemeente Amsterdam (Hoofdafdeling) te kennen gegeven dat zij diverse sieraden van de ex-partner van haar moeder uit Sierra Leone had gekregen en dat een vriendin sieraden in plaats van geld aan appellante had geleend. In de rapportage waarin dit is opgetekend, is vermeld dat bij het college voor € 9.200,- aan pandbewijzen bekend is. Hierin heeft de Hoofdafdeling aanleiding gezien een onderzoek te verrichten naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand.

1.2.2.

In dat kader is bij de Stadsbank informatie opgevraagd over de waarde en de beleensommen van de door appellante beleende sieraden, is op 28 juni 2010 gesproken met appellante en is op 24 september 2010 een huisbezoek afgelegd aan de woning van appellante. Tijdens het huisbezoek heeft appellante onder meer verklaard dat zij de sieraden van haar moeder en van haar vriendin had teruggekocht met geld dat appellante van haar moeder had gekregen, een bedrag van € 6.500,-, en dat zij de teruggekochte sieraden deels weer had beleend ten behoeve van haar broer in Engeland die geld nodig had. Vervolgens heeft de Hoofdafdeling bij appellante informatie opgevraagd over de sieraden die zij op 15 augustus 2007 in haar bezit had, de waarde van deze sieraden op die datum en over de (her)belening van sieraden bij de Stadsbank.

1.2.3.

In reactie hierop heeft appellante in november 2010 de volgende informatie toegezonden: een verklaring van haar vriendin [Naam vriendin T.] (T) van 8 november 2010, een ongedateerde en in het Engels opgestelde verklaring van [naam C.] (C), een overzicht van de nog bij de Stadsbank aanwezige sieraden met de waarden daarvan tot een bedrag van in totaal € 2.768,-, een overzicht van sieraden die appellante aan haar moeder had teruggegeven, twee betalingsbewijzen van door appellante teruggekochte sieraden van onderscheidenlijk 11 juni 2010 tot een bedrag van € 4.482,55 en van 25 juni 2010 tot een bedrag van € 2.216,55, enkele pandbewijzen en een overzicht met data waarop appellante sieraden heeft beleend en de bedragen die zij voor de beleende sieraden heeft ontvangen (beleningsoverzicht).

1.3.

Bij besluit van 22 november 2010 heeft het college met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand van appellante met ingang 16 november 2010 opgeschort. Bij besluit van 7 januari 2011 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 16 november 2010 ingetrokken. Appellante heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

1.4.

De onderzoeksbevindingen van de Hoofdafdeling, neergelegd in een rapport van

21 december 2010, zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 4 maart 2011 (besluit 1) de bijstand van appellante over de periode van 11 juni 2010 tot en met 15 november 2010 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen tot een bedrag van € 6.298,67.

1.5.

Bij besluit van 25 oktober 2011 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen besluit 1 gedeeltelijk gegrond verklaard en laatstgenoemd besluit in die zin aangepast dat de bijstand over de periode van 15 augustus 2007 tot en met 15 november 2007 wordt ingetrokken en dat de kosten van bijstand over die periode van appellante worden teruggevorderd tot een bedrag van € 2.722,08. Aan bestreden besluit 1 heeft het college, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Aangezien aan de verklaringen van T en C niet die waarde kan worden gehecht die appellante daaraan toegekend wenst te zien, moet er vanuit worden gegaan dat de sieraden die appellante heeft beleend bij de Stadsbank haar eigendom zijn. Appellante heeft de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden door bij de bijstandsaanvraag van 15 augustus 2007 niet aan het college te melden dat zij over veel sieraden beschikte. De waarde van deze sieraden tot een bedrag van in totaal € 9.467,08 - zijnde de som van de bedragen van terugkoop in juni 2010 en het bedrag van de waarde van de nog bij de Stadsbank aanwezige sieraden - is destijds ten onrechte niet meegenomen bij de vermogensvaststelling. In aanmerking genomen dat een bedrag van € 1.500,- aan persoonlijke sieraden algemeen gebruikelijk wordt geacht, bedroeg het vermogen van appellante op

15 augustus 2007 € 7.967,08. Dit vermogen overschreed de op die datum voor appellante geldende vermogensgrens van € 5.245,- met € 2.722,08.

Terugvordering geldlening

1.6.

Bij besluit van 1 april 2010 heeft het college aan appellante op grond van de WWB bijzondere bijstand in de vorm van een renteloze lening verleend tot een bedrag van € 4.839,-. Bij besluit van 8 juli 2010 heeft het college aan appellante bijzondere bijstand verleend tot een bedrag van € 838,02, waarvan € 254,16 in de vorm van een renteloze lening.

1.7.

Bij besluit van 2 maart 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 oktober 2011 (bestreden besluit 2), heeft het college met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB (tekst tot 1 januari 2013) de kosten van de aan appellante in de vorm van geldleningen verleende bijzondere bijstand tot een bedrag van € 4.680,66 van haar teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de terugbetalingsverplichting die uit de geldleningen voortvloeit niet of niet behoorlijk is nagekomen.

Buiten behandeling laten nieuwe aanvraag om bijstand

1.8.

Appellante heeft op 22 februari 2011 opnieuw bijstand aangevraagd. In verband met deze aanvraag heeft het college appellante bij brief van 1 maart 2011 verzocht om een aantal ontbrekende gegevens over te leggen, onder meer bankafschriften van haar (drie) bankrekeningen vanaf verschillende data in 2010 en 2011. Daarbij heeft het college vermeld, onder verwijzing naar artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat als de gevraagde gegevens op 16 maart 2011 niet zijn ontvangen, het college de aanvraag niet verder zal behandelen. Het college heeft op verzoek van appellante de gegeven termijn voor het overleggen van de gevraagde gegevens verlengd tot en met 18 maart 2011.

1.9.

Bij besluit van 21 maart 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 oktober 2011 (bestreden besluit 3), heeft het college besloten de aanvraag van appellante met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb niet te behandelen. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn heeft verstrekt, waardoor er onvoldoende gegevens en bescheiden zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluit 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

4.1.

Appellante heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat het vermogen van appellante op 15 augustus 2007 de op dat moment voor appellante geldende vermogensgrens overschreed. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat het vooral gaat om beleende sieraden in 2010. Bovendien behoorden de sieraden niet toe aan appellante, maar aan C - haar moeder - en T. Appellante heeft in augustus 2007 de op haar rustende inlichtingenverplichting niet geschonden, aangezien zij bij haar aanvraag heeft gemeld dat een aantal sieraden van haar was beleend. Het college heeft destijds geen onderzoek daarnaar gedaan. Het college heeft de waarde van de sieraden vastgesteld op basis van gegevens uit 2010, terwijl het gaat om de waarde op 15 augustus 2007. Hierbij is van belang dat de goudprijs in de loop der jaren is gestegen.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

In het kader van haar aanvraag om bijstand in augustus 2007 heeft appellante onder meer verklaard dat zij tussen juni 2007 en augustus 2007 verschillende malen sieraden had verpand bij de Stadsbank en dat zij ten tijde van haar aanvraag geen enkele mogelijkheid meer had om aan geld te komen. Uit het beleningsoverzicht blijkt echter dat appellante ook na augustus 2007 met enige regelmaat sieraden bij de Stadsbank heeft beleend en dat zij sieraden die in oktober en november 2007 waren beleend op 11 juni 2010 weer heeft teruggekocht.

4.4.

Aangezien vaststaat dat appellante een groot aantal sieraden heeft beleend en ook weer heeft teruggekocht, staat tevens vast dat appellante kon beschikken over de desbetreffende sieraden. C heeft verklaard dat zij haar dochter juwelen heeft toegezonden om bij de bank in te wisselen voor geld en dat ze dit jaar had besloten om appellante € 6.500,- te sturen om de juwelen weer terug te kopen. T heeft verklaard welke sieraden zij in december 2007 aan appellante heeft geleend om te kunnen belenen en dat zij deze sieraden in september 2010 van appellante had teruggekregen. Met de rechtbank en het college is de Raad van oordeel dat aan de verklaringen van C en T niet die betekenis toekomt die appellante daaraan gehecht wenst te zien, reeds omdat enige objectieve en verifieerbare onderbouwing van deze verklaringen ontbreekt. De beschikbare gegevens bevatten verder geen andere aanknopingspunten voor de conclusie dat de beleende sieraden niet toebehoorden aan appellante en/of dat haar sieradenbezit na 15 augustus 2007 een wijziging had ondergaan. Gelet hierop, en in aanmerking genomen dat appellante geen verifieerbare informatie heeft verstrekt over haar sieradenbezit op 15 augustus 2007, mocht het college er vanuit gaan dat alle door appellante na 15 augustus 2007 beleende sieraden behoorden tot haar vermogen waarover zij op die datum beschikte of redelijkerwijs kon beschikken.

4.5.

Dat appellante in augustus 2007 heeft verklaard tussen juni 2007 en augustus 2007 diverse malen sieraden te hebben verpand bij de Stadsbank, doet er niet aan af dat appellante toen niet aan het college heeft gemeld dat zij beschikte over een groot aantal sieraden die nog niet waren beleend. Hiermee is gegeven dat appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.6.

Het college heeft de waarde van de sieraden bepaald aan de hand van de door appellante in november 2010 verstrekte gegevens, te weten de betalingsbewijzen van 11 en 25 juni 2010 en de opgegeven waarde van de in november 2010 nog bij de Stadsbank aanwezige sieraden. In aanmerking genomen dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden ten aanzien van haar sieradenbezit op 15 augustus 2007 dient appellante aan de hand van objectieve en verifieerbare informatie aannemelijk te maken dat het college de waarde van de sieraden per die datum op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Aangezien appellante daarin niet is geslaagd, mocht het college de waarde van de sieraden op 15 augustus 2007 vaststellen aan de hand van de beschikbare gegevens die appellante in november 2010 had verstrekt.

4.7.

Uit 4.3 tot en met 4.6 volgt dat de in 4.1 opgenomen beroepsgronden niet slagen.

Terugvordering geldlening

4.8.

Appellante heeft aangevoerd dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering. In dat verband heeft zij, samengevat, naar voren gebracht dat het college, door de bijstand van appellante met ingang van 16 november 2010 in te trekken, appellante in de positie heeft gebracht dat zij de leningen niet meer kon aflossen en dat de terugvordering enorme financiële consequenties voor haar heeft.

4.9.

Tussen partijen is niet in geschil dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB (tekst tot 1 januari 2013) de kosten van de aan appellante in de vorm van geldleningen verleende bijzondere bijstand tot een bedrag van € 4.680,66 van haar terug te vorderen. Appellante betwist uitsluitend de wijze waarop het college van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

4.10.

Het college voert het beleid dat, behoudens dringende redenen, steeds van de bevoegdheid tot terugvordering gebruik wordt gemaakt. Dringende redenen zijn aan de orde indien terugvordering tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de betrokkene zou leiden. De door appellante genoemde reden dat zij niet meer kon aflossen, noch de door haar genoemde financiële consequenties van de terugvordering vormt een dringende reden in deze zin op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien. Hierbij komt dat appellante de bescherming heeft van de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.11.

Uit 4.10 volgt dat de in 4.8 verwoorde beroepsgrond niet slaagt.

Buiten behandeling laten nieuwe aanvraag om bijstand

4.12.

Appellante heeft aangevoerd dat het college alles al van haar wist en toch iedere keer dezelfde gegevens bij haar opvraagt, terwijl zij geen inkomen heeft.

4.13.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.14.

Vaststaat dat appellante de door het college bij brief van 1 maart 2011 gevraagde gegevens niet binnen de daarvoor gegeven termijn heeft verstrekt. Appellante betwist met de in 4.12 verwoorde beroepsgrond uitsluitend dat deze gegevens nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag. Deze beroepsgrond slaagt niet. Vaststaat dat het college in ieder geval nog niet beschikte over recente bankafschriften van de bankrekeningen van appellante. Deze bankafschriften waren noodzakelijk om inzicht te krijgen in de recente financiële situatie van appellante en daarmee noodzakelijk voor een goede beoordeling van haar aanvraag.

Conclusie

4.15.

Uit 4.7, 4.11 en 4.14 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en W.F. Claessens en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) A.C. Oomkens

HD