Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3842

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
21-06-2013
Zaaknummer
12/1724 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WW-uitkering. Oplegging boete. Schending inlichtingenverplichting. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer CRvB 20 februari 2013, LJN BZ1802) is in een situatie als de onderhavige, waarin een uitkeringsgerechtigde heeft nagelaten een volledige opgave te doen van zijn werkzaamheden en van de gewerkte uren zelf geen registratie heeft bijgehouden, aanvaardbaar dat het Uwv een schatting maakt van de omvang van die werkzaamheden. Het risico dat die schatting ten nadele van betrokkene uitvalt komt voor diens rekening en risico, mits door het Uwv voldoende en zorgvuldig onderzoek is verricht om tot een vaststelling te komen die de werkelijkheid zo dicht mogelijk benadert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1724 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ?s-Gravenhage van

22 februari 2012, 11/5703 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 19 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. U. Santi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R. Lessy, kantoorgenoot van mr. Santi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 14 januari 2010 heeft het Uwv de uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) van appellant met ingang van 31 oktober 2005 herzien en over de periode van 31 oktober 2005 tot en met 26 november 2006 een bedrag van € 6.065,94 aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 8 februari 2010 heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 610,-. Appellant heeft uitsluitend bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 januari 2010.

1.2. Tijdens de procedure in bezwaar heeft de zogenoemde toetsingscommissie ZZP op verzoek van appellant zijn zaak herbeoordeeld aan de hand van de Handleiding herbeoordeling ZZP-dossiers (Handleiding). Vervolgens heeft de zogenoemde Bezwaaradviescommissie ZZP (BAC) het Uwv geadviseerd. Bij besluit van 31 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard en, overeenkomstig het advies van de BAC, besloten dat over de periode van 31 oktober 2005 tot en met 26 november 2006 een bedrag van € 5.595,29 aan onverschuldigd betaalde

WW-uitkering van appellant wordt teruggevorderd. Tevens is de boete verlaagd naar € 560,-.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat hij een juiste opgave heeft gedaan van de door hem als zelfstandige gewerkte uren en dat hij door het Uwv niet goed is geïnformeerd over het feit dat de door hem in zijn autoreparatiebedrijf gewerkte uren blijvend zouden worden gekort op zijn WW-uitkering. Appellant heeft tevens aangevoerd dat het Uwv de omvang van zijn werkzaamheden als zelfstandige verkeerd heeft geschat omdat hij niet werkte met een uurloon maar met indicatieprijzen per onderdeel van een auto. Appellant blijft ook bij zijn standpunt dat hij niet verwijtbaar heeft gehandeld en dat daarom ten onrechte een boete is opgelegd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In dit geding zijn de volgende bepalingen uit de WW, zoals deze golden ten tijde in geding, van belang:

Artikel 8

1. Een persoon wiens dienstbetrekking is geëindigd, behoudt de hoedanigheid van werknemer, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd.

2. Een persoon, wiens werknemerschap is geëindigd door het verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep, herkrijgt bij beëindiging van die werkzaamheden de hoedanigheid van werknemer, voor zover die beëindiging plaatsvindt binnen een tijdvak van anderhalf jaar nadat die werkzaamheden een aanvang hebben genomen.

(…)

4. Onverminderd het tweede en derde lid herkrijgt de persoon na afloop van de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden de hoedanigheid van werknemer, indien deze niet langer hebben geduurd dan zes maanden.

Artikel 20

1. Het recht op uitkering eindigt:

a. voor zover de werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest;

(…)

2. Voor de werknemer op wie het eerste lid, onderdeel a, van toepassing is, eindigt het recht op uitkering terzake van het aantal uren dat hij werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer in de zin van deze wet wordt beschouwd.

Artikel 22a

1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering herziet het Uwv een dergelijk besluit of trekt het dat in:

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 24, 25 of 26 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;

b. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

(…)

2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

Artikel 25

De werknemer is verplicht aan het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

(…)

Artikel 27a

1. Indien de werknemer een verplichting als bedoeld in artikel 25 van deze wet of artikel 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk is nagekomen, legt het Uwv hem een boete op van ten hoogste € 2.269,-. (…)

Artikel 36

1. De uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a (…) onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uwv teruggevorderd.

(…)

4. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4.2. Appellant heeft op zijn werkbriefjes geen volledige opgave gedaan van het aantal gewerkte uren als zelfstandige. Uit de door appellant bij brief van 6 januari 2012 aan de rechtbank overgelegde aangepaste werkbriefjes blijkt immers duidelijk dat hij gedurende de periode van 31 oktober 2005 tot en met 26 november 2006 meer directe uren heeft gewerkt dan hij aan het Uwv heeft doorgegeven. Bovendien heeft appellant de uren die hij besteedde aan acquisitie niet opgegeven. Hieruit volgt dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting niet volledig is nagekomen.

4.3. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer CRvB 20 februari 2013, LJN BZ1802) is in een situatie als de onderhavige, waarin een uitkeringsgerechtigde heeft nagelaten een volledige opgave te doen van zijn werkzaamheden en van de gewerkte uren zelf geen registratie heeft bijgehouden, aanvaardbaar dat het Uwv een schatting maakt van de omvang van die werkzaamheden. Het risico dat die schatting ten nadele van betrokkene uitvalt komt voor diens rekening en risico, mits door het Uwv voldoende en zorgvuldig onderzoek is verricht om tot een vaststelling te komen die de werkelijkheid zo dicht mogelijk benadert. In het onderhavige geval heeft de fraude-inspecteur het aantal gewerkte (directe) uren berekend aan de hand van de door appellant overgelegde facturen, waarbij hij is uitgegaan van een loon van € 45,- per uur, zijnde het gemiddelde uurloon in de branche, en € 10,- per uur aan materiaalkosten. Deze schatting is voldoende zorgvuldig. Daaraan doet niet af dat appellant feitelijk niet werkte met een uurloon maar met indicatieprijzen per onderdeel van een auto. Nu appellant ook in hoger beroep geen concrete en verifieerbare gegevens heeft overgelegd die de juistheid van de uitkomst van de door het Uwv gehanteerde schatting van het aantal gewerkte directe uren in twijfel trekt, wordt het Uwv gevolgd in zijn berekening van het aantal door appellant gewerkte directe uren als zelfstandige in de periode van 31 oktober 2005 tot en met 26 november 2006.

4.4. Met betrekking tot de indirecte uren wordt voorop gesteld dat appellant ter zitting heeft erkend dat hij in de periode hier in geding ook acquisitie heeft verricht. Bij gebreke van concrete gegevens heeft het Uwv de omvang van deze acquisitiewerkzaamheden mogen schatten op een half uur per week.

4.5. Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat hij door het Uwv niet is geïnformeerd over het feit dat de door hem als zelfstandige gewerkte uren blijvend zouden worden gekort op zijn WW-uitkering. Uit het verslag van het gesprek met buitendienstmedewerker Buitelaar van het Uwv van 7 juli 2005 blijkt immers dat appellant de folder “een eigen bedrijf beginnen” is uitgereikt. In die folder staat duidelijk vermeld dat wanneer men eenmaal een eigen bedrijf heeft, de uren die daaraan worden besteed blijvend van het uitkeringsrecht worden afgetrokken.

4.6. Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het Uwv op goede gronden heeft geconcludeerd dat het verplicht was om, met toepassing van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW de WW-uitkering met ingang van 31 oktober 2005 te herzien. Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW was het Uwv in dit geval voorts verplicht tot terugvordering van hetgeen onverschuldigd is betaald. Hetgeen appellant heeft aangevoerd bevat geen dringende reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4.7. Appellant heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd met betrekking tot de informatievoorziening door het Uwv over het opgeven van indirecte uren. Er bestaat daarom geen aanleiding om te beoordelen of het Uwv bij het bestreden besluit zijn buitenwettelijk begunstigend beleid zoals vermeld in de Handleiding consistent heeft toegepast.

4.8. Bij brief van 19 december 2011 heeft het Uwv de rechtbank bericht dat de in het bestreden besluit opgelegde boete van € 560,- moet worden gezien als een primair boetebesluit en het beroepschrift van appellant, voor zover dat gericht is tegen de boete, als bezwaar moet worden behandeld. Omdat partijen ter zitting bij de rechtbank hebben verklaard het geschil over de boete direct in beroep aan de rechtbank voor te willen leggen, heeft de rechtbank, met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht, het bezwaarschrift betreffende de boete als beroepschrift behandeld.

4.9. Bij de in het bestreden besluit opgelegde boete van € 560,- is het Uwv, na toetsing aan het in de Handleiding opgenomen beleid, teruggekomen van zijn in rechte vaststaande besluit van 8 februari 2010, waarbij appellant een boete van € 610,- was opgelegd. Blijkens de uitspraak van de Raad van 31 oktober 2012, LJN BY1787, dient beoordeeld te worden of het besluit is genomen in overeenstemming met de Handleiding.

4.10. Appellant heeft zijn inlichtingenverplichting geschonden door geen volledige opgave te doen van zijn werkzaamheden als zelfstandige. Daarvan kan appellant niet alleen objectief maar ook subjectief een verwijt worden gemaakt. Uit de werkbriefjes blijkt immers dat appellant opgave moest doen van alle gewerkte uren. Daarnaast blijkt uit het verslag van het gesprek tussen appellant en re-integratiecoach [S.] van 4 november 2005 dat appellant er uitdrukkelijk op is gewezen dat hij ook uren die hij besteedde aan acquisitie moest vermelden op zijn werkbriefjes. Hieruit volgt dat het Uwv de Handleiding met betrekking tot de boete consistent heeft toegepast.

4.11. Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.10 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2013.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) D.E.P.M. Bary

JvC