Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3822

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
20-06-2013
Zaaknummer
12/1272 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WIA-uitkering. Appellant kan niet in het standpunt worden gevolgd dat op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de rechtbank zelf in de zaak had moeten voorzien. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het bestreden besluit uiteindelijk voldoende zorgvuldig is voorbereid. Ook in hoger beroep heeft appellant zijn standpunt, dat zijn beperkingen zijn onderschat, niet met medische gegevens onderbouwd ondanks daartoe meerdere malen in de gelegenheid te zijn gesteld door de Raad. Geen aanleiding het oordeel van de rechtbank over de medische geschiktheid van de geduide functies voor onjuist te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1272 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van

18 januari 2012, 11/4829 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 19 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.C. Blok, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Blok. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 13 oktober 2008 uitgevallen voor zijn werk als productiemedewerker in de pluimvee-industrie in verband met psychische klachten en rugklachten. In juli 2010 heeft hij een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.

1.2. Na vaststelling van de beperkingen van appellant bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is bij arbeidskundig onderzoek het verlies aan loonwaarde berekend op 23,16%, hetgeen leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.

1.3. Bij besluit van 1 september 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 11 oktober 2010 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA ontstaat, omdat appellant niet als arbeidsongeschikt in de zin van die wet wordt beschouwd.

1.4. Bij beslissing op bezwaar van 21 april 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 1 september 2010, onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 14 april 2011 en de bezwaararbeidsdeskundige van 20 april 2011, ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft, na behandeling van het beroep ter zitting van 17 augustus 2011, bij tussenuitspraak overwogen dat het onderzoek niet zorgvuldig is geweest omdat er geen lichamelijk onderzoek met betrekking tot de door appellant geclaimde rugklachten heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen. Het Uwv heeft gebruik gemaakt van deze gelegenheid en een nader onderzoek ingesteld. Vervolgens heeft het Uwv het bestreden besluit gehandhaafd. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv het gebrek heeft hersteld.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

2.3. De rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld dat de beroepsgrond van appellant dat het Uwv ten onrechte geen rekening gehouden heeft met de problemen die appellant ondervindt in de samenwerking met anderen en de aanwezigheid van anderen, niet kan slagen. Uit het rapport van 14 april 2011 blijkt dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is aangepast ten aanzien van 2.12, het sociaal functioneren in arbeid. De beroepsgrond dat de werkzaamheden behorende bij de voor hem geduide functies voor appellant te zwaar zijn, kan niet slagen nu deze grond niet is onderbouwd. Appellant was dan ook per 11 oktober 2010 in staat te achten de door de (bezwaar)arbeidsdeskundige voorgehouden functies te verrichten. Aangezien appellant met het vervullen van die functies een zodanig inkomen kan verwerven dat in vergelijking met het maatmaninkomen het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 35% bedraagt, heeft het Uwv terecht per 11 oktober 2010 een WIA-uitkering geweigerd.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten. Hij is van mening dat de rechtbank, na vernietiging van het bestreden besluit, zelf in de zaak had moeten voorzien en aan hem een WIA-uitkering had moeten toekennen. Volgens appellant is in de FML ten onrechte geen rekening gehouden met de problemen die hij ondervindt in de samenwerking met anderen en de aanwezigheid van anderen. Ter zitting heeft appellant verzocht tot aanhouding teneinde medische gegevens vanuit Turkije te kunnen inbrengen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant kan niet in het standpunt worden gevolgd dat op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de rechtbank zelf in de zaak had moeten voorzien. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de rechter van deze bevoegdheid in beginsel alleen gebruik mag maken als na de vernietiging van het bestreden besluit nog maar één beslissing mogelijk is. Daarvan is in deze situatie geen sprake, omdat op voorhand niet was uit te sluiten dat het Uwv bij een nieuw te nemen besluit de weigering van de WIA-uitkering zou handhaven, zoals ook is geschied.

4.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het bestreden besluit uiteindelijk voldoende zorgvuldig is voorbereid. Ook in hoger beroep heeft appellant zijn standpunt, dat zijn beperkingen zijn onderschat, niet met medische gegevens onderbouwd ondanks daartoe meerdere malen in de gelegenheid te zijn gesteld door de Raad. Het verzoek van appellant ter zitting tot nadere aanvulling van medische gegevens acht de Raad tardief nu niet is gebleken dat appellant deze gegevens niet in een eerder stadium in deze procedure naar voren had kunnen brengen. De vraag of de betreffende gegevens voor de datum in geding relevante informatie zouden kunnen geven, kan daarom in het midden blijven.

4.3. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant - uiteindelijk - door het Uwv vastgestelde belastbaarheid, is er geen aanleiding het oordeel van de rechtbank over de medische geschiktheid van de geduide functies voor onjuist te houden.

4.4. Uit het overwogene in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2013.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) Z. Karekezi

QH