Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3756

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
20-06-2013
Zaaknummer
11/6160 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante wordt geschikt geacht voor haar eigen werk. Blijkens de rapportage van de verzekeringsarts van 18 augustus 2010 dient rekening te worden gehouden met het feit dat appellante haar rug nog niet zwaar dient te belasten, met name niet zwaar tillen en niet frequent voorover buigen. Daarbij geniet de aanwezigheid van vertredingsmogelijkheden de voorkeur. Indien hiermee rekening wordt gehouden kan een urenreductie door de verzekeringsarts niet worden beargumenteerd. Mede gelet op het arbeidskundig onderzoek wordt volgens de verzekeringsarts de actuele belastbaarheid in de maatgevende arbeid niet overschreden. Hij ziet dan ook geen aanleiding om het recht op ZW-uitkering nog langer te continueren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6160 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van

13 september 2011, 10/3314 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 19 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Boon, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij een rapportage van bezwaarverzekeringsarts H.H. Häuser van 5 december 2011 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Boon. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali. Als tolk was aanwezig E. Battaloglu.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk gedurende 40 uur per week via een uitzendbureau werkzaam als champignonplukster. Op 30 januari 2009 is zij uitgevallen als gevolg van een bedrijfsongeval op 29 januari 2009, waarbij zij twee ruggenwervels heeft gebroken. Het dienstverband met de werkgever is met ingang van 1 januari 2010 beëindigd.

1.2. Appellante is laatstelijk op 18 augustus 2010 gezien op het spreekuur van verzekeringsarts N.M.M. Kummeling. Deze arts heeft appellante onderzocht en geconcludeerd dat rekening dient te worden gehouden met het feit dat appellante haar rug niet zwaar dient te belasten, maar dat er geen medische argumenten zijn om de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) nog langer te continueren. Op basis van deze conclusie van de verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 18 augustus 2010 aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 19 augustus 2010 geen recht (meer) heeft op ziekengeld.

1.3. Bij besluit van 1 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 augustus 2010, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts A.J. Hoffman van 30 september 2010, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding bestaat om aan de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts te twijfelen. Met het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 2 augustus 2011 en de toelichting daarop ter zitting is het door appellante in beroep overgelegde expertiserapport van de orthopeed prof. dr. J.D. Visser van 14 maart 2011 volgens de rechtbank voldoende weerlegd. Het Uwv heeft dan ook terecht besloten appellante met ingang van 19 augustus 2010 niet langer in aanmerking te brengen voor een ZW-uitkering.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat haar belastbaarheid onjuist is ingeschat, ter onderbouwing waarvan zij verwijst naar het door haar in de beroepsfase overgelegde expertiserapport van de orthopeed Visser. Dat dit rapport is opgesteld in het kader van een letselschadetraject kan aan de inhoud daarvan niet afdoen. In dat rapport is duidelijk vermeld wat de beperkingen zijn van appellante en zij ziet niet in waarom deze beperkingen niet zouden gelden bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Appellante stelt in dit verband voorts dat haar gezondheidstoestand niet is gewijzigd tussen augustus 2010 en maart 2011.

3.2. In het verweerschrift heeft het Uwv, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts, het standpunt gehandhaafd dat appellante per 19 augustus 2010 geen recht meer heeft een ZW-uitkering en daarbij verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Nu appellante laatstelijk werkzaam was als champignonplukster is van de juiste maatstaf arbeid uitgegaan. In de aard en zwaarte van de belasting in deze werkzaamheden bestond, mede gelet op de functiebeschrijving door de arbeidsdeskundige, bij de (bezwaar)verzekeringsartsen voldoende inzicht.

4.2. Met betrekking tot de medische beoordeling onderschrijft de Raad het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de (bezwaar)verzekeringsarts in het kader van de beoordeling van de aanspraken van appellante op een uitkering ingevolge de ZW op inzichtelijke wijze heeft onderbouwd dat appellante geschikt wordt geacht voor haar eigen werk. Blijkens de rapportage van de verzekeringsarts van 18 augustus 2010 dient rekening te worden gehouden met het feit dat appellante haar rug nog niet zwaar dient te belasten, met name niet zwaar tillen en niet frequent voorover buigen. Daarbij geniet de aanwezigheid van vertredingsmogelijkheden de voorkeur. Indien hiermee rekening wordt gehouden kan een urenreductie door de verzekeringsarts niet worden beargumenteerd. Mede gelet op het arbeidskundig onderzoek wordt volgens de verzekeringsarts de actuele belastbaarheid in de maatgevende arbeid niet overschreden. Hij ziet dan ook geen aanleiding om het recht op

ZW-uitkering nog langer te continueren.

Bezwaarverzekeringsarts Hoffman heeft in zijn rapportage van 30 september 2010 op basis van dossierstudie, eigen onderzoek en verkregen informatie uit de behandelend sector geconcludeerd dat er geen argumenten zijn gevonden, die ertoe leiden dat de verzekeringsgeneeskundige grondslag van het bestreden besluit moet worden herzien. Er is sprake van een geconsolideerde fractuur en niet van instabiliteit. Medisch objectief gezien is er slechts sprake van een verzakte wervel, zonder impact op neurologisch gebied (druk op ruggenmerg en/of zenuwen). De beperkingen zijn volgens de bezwaarverzekeringsarts niet ondergewaardeerd. Zij zijn voornamelijk het gevolg van een conditiegebrek. Naar aanleiding van het in beroep overgelegde expertiserapport van de orthopeed Visser heeft bezwaarverzekeringsarts Häuser op 2 augustus 2011 gerapporteerd. Volgens deze bezwaarverzekeringsarts wordt in het expertiserapport van de orthopeed geen enkele onderbouwing gegeven waarom er meer beperkingen zouden moeten worden aangenomen. Daarin wordt dan ook geen aanleiding gezien om het standpunt te wijzigen. Gelet op de onderzoeksbevindingen en de overgelegde medische informatie hebben de bezwaarverzekeringsartsen voldoende overtuigend en inzichtelijk gemotiveerd om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder door de verzekeringsarts ingenomen standpunt dat appellante per 19 augustus 2010 geschikt werd geacht voor haar arbeid

4.3. Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 5 december 2011 gesteld dat ook daarin geen reden is gelegen om af te wijken van het eerder ingenomen standpunt. Er zijn namelijk geen nieuwe medische gegevens ingebracht, die een ander licht zouden kunnen werpen op de situatie van appellante op de datum in geding. Daarmee is voldoende onderbouwd dat het standpunt van appellante in hoger beroep geen aanleiding geeft om tot een ander oordeel te komen.

4.4. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, wordt geconcludeerd dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) J.R. Baas

JL