Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3562

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
20-06-2013
Zaaknummer
11-6938 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting en intrekking bijstand. Het college was op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd tot intrekking van de bijstand aangezien appellant verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit (dat in rechte onaantastbaar is geworden) gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te overleggen. Verwijtbaarheid. Appellant heeft niet met objectieve medische gegevens of anderszins aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde in geding geheel buiten staat was de opgelegde verplichtingen zelf of met behulp van derden na te komen dan wel op een adequate wijze te reageren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6938 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

19 oktober 2011, 11/941 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

Datum uitspraak 18 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Seddigh Afshar, gemachtigde, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2013. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken 12/5171 WWB en 12/5173 WWB. Voor appellant is verschenen mr. Seddigh Afshar. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish-Willeboordse. Na de zitting zijn de zaken gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 21 maart 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij brief van 15 juni 2010 heeft het college appellant uitgenodigd voor een gesprek op 1 juli 2010 in het kader van het jaarlijkse onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan hem verleende bijstand. Appellant heeft geen gehoor gegeven aan deze oproep, waarna de uitbetaling van de bijstand is stopgezet en het recht op bijstand met ingang van 1 juli 2010 is opgeschort. Bij brief van 14 juli 2010 is appellant opnieuw uitgenodigd voor een rechtmatigheidsonderzoek op 21 juli 2010 op het kantoor van Werkplein Den Haag Zuidwest (Werkplein). In die brief heeft het college appellant tevens verzocht een aantal stukken mee te nemen, waaronder alle opeenvolgende bankafschriften van alle bankrekeningen van de laatste drie maanden. Appellant is op 21 juli 2010 verschenen en heeft tezamen met een begeleider van Parnassia, zorginstelling voor mensen met psychische problemen, een gesprek gehad met een bijstandsconsulent van Werkplein. Naar aanleiding hiervan heeft het college de eerdere stopzetting van de uitbetaling en opschorting van het recht op bijstand weer ongedaan gemaakt. Omdat appellant toen niet alle gevraagde gegevens (met name de bankafschriften over de laatste drie maanden) had meegenomen is afgesproken dat hij deze vóór 11 augustus 2010 zou inleveren of toezenden. Deze afspraak is bij brief van 27 juli 2010 nog eens schriftelijk bevestigd. Bij besluit van 14 september 2010 (besluit 1) heeft het college de uitbetaling van de bijstand wederom stopgezet, en wel met ingang van 1 september 2010, op de grond dat de gevraagde gegevens niet zijn overgelegd. Verzocht is tevens vóór 28 september 2010 contact op te nemen met de consulent van Werkplein. Bij besluit van 28 september 2010 (besluit 2) heeft het college het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 september 2010 opgeschort omdat de gevraagde stukken niet zijn ingeleverd. Tevens is verzocht vóór 12 oktober 2010 contact op te nemen met zijn consulent bij Werkplein. Daarbij heeft het college te kennen gegeven dat als dit niet gebeurt en het verzuim niet wordt hersteld de bijstand met ingang van 1 september 2010 wordt ingetrokken. Bij besluit van 12 oktober 2010 (besluit 3) heeft het college de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 1 september 2010. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen en het eerder geconstateerde verzuim niet binnen de gestelde termijn heeft hersteld. Appellant heeft tegen besluit 1 en 3 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 21 december 2010 (bestreden besluit) heeft het college deze bezwaren ongegrond verklaard. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem om psychische redenen onmogelijk was de gevraagde bankafschriften zelf of door tussenkomst van zijn begeleider bij Parnassia tijdig over te leggen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het hoger beroep richt zich, gelet op het verhandelde ter zitting, nog uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank dat het college de bijstand van appellant terecht onder toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 1 september 2010 heeft ingetrokken. De hier door de bestuursrechter te beoordelen periode loopt van 1 september 2010 tot en met 12 oktober 2010, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen staat bij de beantwoording van de vraag of het college op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de bijstand ter beoordeling of appellant verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit (dat in rechte onaantastbaar is geworden) gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te overleggen. Als dat het geval is dient vervolgens te worden nagegaan of appellant hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken als het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover appellant niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.3. Vaststaat dat appellant op de uiterste inleverdatum 11 oktober 2010 de reeds bij brief van 27 juli 2010 gevraagde bankafschriften niet aan het college heeft overgelegd. Niet betwist is dat deze stukken van belang zijn voor het vaststellen van het recht op (voortzetting van de) bijstand en dat appellant en zijn begeleider hier in het gesprek van 21 juli 2010 nadrukkelijk op zijn gewezen. Het oordeel van de rechtbank dat het onder deze omstandigheden op de weg van appellant lag om zelf of via zijn begeleider contact op te nemen met de consulent bij Werkplein als de gevraagde bankafschriften niet binnen de gestelde termijn zouden kunnen worden overgelegd, wordt onderschreven. Niet aannemelijk is gemaakt dat tussentijds van 21 juli 2010 tot 12 oktober 2010 verifieerbaar met betrekking tot deze bankafschriften is gecommuniceerd of gecorrespondeerd en/of dat om verlenging van de gestelde termijn is verzocht. Dat een en ander appellant niet valt te verwijten vanwege zijn psychische problematiek kan de Raad, evenals de rechtbank, niet volgen. Daargelaten dat appellant ten tijde in geding - ook in zijn contacten met Werkplein - werd begeleid door een medewerker van Parnassia, zodat het handelen en nalaten van deze belangenbehartiger voor de toepassing en uitvoering van de WWB in beginsel aan appellant moet worden toegerekend, heeft appellant niet met objectieve medische gegevens of anderszins aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde in geding geheel buiten staat was de opgelegde verplichtingen zelf of met behulp van derden na te komen dan wel op een adequate wijze te reageren. Het betoog van appellant dat bij een latere aanvraag om periodieke bijstand het college voor de periode vanaf 12 januari 2011 heeft aangenomen dat het niet overleggen van de bankafschriften appellant niet valt te verwijten en dat op dezelfde gronden aannemelijk is dat het niet overleggen van de bankafschriften in de periode die thans in het geding is hem niet is toe te rekenen, houdt geen stand. Verweerder heeft voldoende toegelicht dat het bij de periode vanaf 12 januari 2011 ging om een nieuwe aanvraag en dat daarbij sprake was van een gewijzigde situatie. Appellant woonde immers in de periode die hier moet worden beoordeeld nog zelfstandig, terwijl appellant in 2011 met een rechterlijke machtiging was opgenomen in een gesloten inrichting.

4.4. Uit wat in 4.3 is overwogen vloeit voort dat het college bevoegd was over te gaan tot intrekking van de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2010 alsook dat het onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.5. Gelet op het voorgaande treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en Y.J. Klik en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2013.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M. Sahin

HD