Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3549

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
20-06-2013
Zaaknummer
12-4862 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bruto terugvordering. Herzienings- en terugvorderingsbesluit staan in rechte vast. Beleid. Nu vaststaat dat door appellant in 2010 niet is afgelost op de vordering heeft het college overeenkomstig zijn beleid, de vordering over 2010 na 31 december 2010 terecht gebruteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4862 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 18 juli 2012, 11/983 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], België (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)

Datum uitspraak: 18 juni 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kaya. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A.E. Assink-Meijer. Als tolk is verschenen J.P.M. Olsthoorn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 8 juli 2010 heeft het college de bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) van appellant over de periode van 19 augustus 2008 tot en met 10 februari 2010 herzien en de over de periode van 19 augustus 2008 tot en met 31 december 2009 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 23.577,79 (bruto) en de over de periode van

1 januari 2010 tot en met 10 februari 2010 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.674,83 (netto) van appellant en zijn echtgenote teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt om het recht op bijstand vast te stellen. Voorts is meegedeeld dat naast de ontvangen bijstand ook de afgedragen loonheffing (loonbelasting en premies volksverzekeringen) wordt teruggevorderd. Indien en voor zover het bedrag van € 1.674,83 op 31 december 2010 niet is voldaan, wordt - ook - dit deel van de vordering gebruteerd.

1.2. Bij besluit van 4 februari 2011 heeft het college appellant en zijn echtgenote meegedeeld dat zij over 2010 een besluit hebben ontvangen, waarin hen is meegedeeld dat zij teveel uitkering hebben ontvangen en dat de teveel betaalde bijstand wordt teruggevorderd. Voorts is meegedeeld dat op 31 december 2010 nog niets op de netto vordering van € 1.674,83 is afgelost en dat de vordering met ingang van 1 januari 2011 is verhoogd met de door de gemeente Enschede afgedragen loonheffing ten bedrage van € 234,07 zodat de vordering over 2010 thans € 1.908,90 bedraagt.

1.3. Bij besluit van 25 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 februari 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat in zijn geval sprake is van bijzondere omstandigheden zodat brutering van het nettobedrag achterwege dient te blijven. Appellant heeft te kennen gegeven dat hij lange tijd niet over enige vorm van inkomen beschikte en dat hij op geen enkele wijze in staat is om het teruggevorderde bedrag te voldoen. Al voor de datum van de hoorzitting van 13 juli 2011 zou hij afspraken met het college hebben gemaakt over de terugbetaling. Ten slotte is appellant van mening dat op grond van de door het college ter hoorzitting gedane toezegging om niet in te vorderen ten onrechte aan de brutering is vastgehouden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 58, vierde lid, tweede volzin, van de WWB kunnen loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt inhoudingsplichtige is, alsmede de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, worden teruggevorderd, voor zover deze belasting, premies en vergoeding niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en vergoeding.

4.2. Het college voert het beleid om gedane aflossingen op terugvorderingen eerst af te boeken op de in het lopende kalenderjaar netto teruggevorderde bijstand en wat op 31 december van dat deel van de vordering nog resteert met toepassing van artikel 58, vierde lid, tweede volzin, van de WWB te bruteren. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 24 juli 2007, LJN BB0561) dient te worden afgezien van de uitoefening van de in artikel 58, vierde lid, tweede volzin, van de WWB neergelegde bevoegdheid tot bruto terugvordering, indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van de betrokkene en hem niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft.

4.3. Door de uitspraak van de Raad van 13 december 2011, LJN BV9036, is het besluit van 8 juli 2010 in rechte onaantastbaar geworden. Dit betekent, voor zover hier van belang, dat het college de bijstand over de periode van 1 januari 2010 tot en met 10 februari 2010 terecht heeft herzien en teruggevorderd. Nu de schending van de inlichtingenverplichting niet (meer) is betwist, staat tevens vast dat appellant verwijt treft ten aanzien van het ontstaan van de vordering. Gelet daarop was het college bevoegd de vordering over genoemde periode na 31 december 2010 te bruteren. Overigens heeft appellant niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd dat hij buiten staat was in 2010 alvast op vordering af te lossen. Appellant heeft nog betoogd dat het college heeft toegezegd dat de invordering zou worden opgeschort totdat de Raad in hoger beroep over het besluit tot herziening en terugvordering zou hebben beslist. Brutering van de vordering over 2010 zou om die reden achterwege dienen te blijven. De Raad kan dit betoog niet volgen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is immers gebleken dat van de zijde van het college eerst tijdens de hoorzitting in juli 2011 naar aanleiding van het bezwaar tegen het besluit van 4 februari 2011, en dus ook nadat het besluit tot brutering reeds was genomen, aan appellant is toegezegd niet (nader) tot invordering over te gaan totdat de Raad in hoger beroep omtrent de herziening en terugvordering zou hebben beslist. Nu vaststaat dat door appellant in 2010 niet is afgelost op de vordering heeft het college, gelet op het voorgaande en overeenkomstig zijn beleid, de vordering over 2010 van € 1.674,83 na 31 december 2010 terecht gebruteerd en nader vastgesteld op € 1.908,90.

4.4. Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2013.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) S.K. Dekker

HD