Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3539

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
11-6827 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Appellant is in het kader van een politie-aktie aangehouden en geverbaliseerd als illegaal taxichauffeur (snorder). Schending inlichtingenverplichting. Werkzaamheden als snorder niet gemeld. Oncontroleerbare inkomsten met als gevolg dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. In dit verband is mede van belang dat appellant ook in 2010 reeds op verdenking van snorderswerkzaamheden is aangehouden door de politie. Door geen registratie of administratie bij te houden heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij, in geval hij de inlichtingenverplichting wel naar behoren was nagekomen, over maart 2011 aanvullend recht op bijstand zou hebben gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6827 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2011, 11/3951 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 18 juni 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.Th.A.M. Mes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2013. Voor appellant is, met bericht vooraf, niemand verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Lo Fo Sang.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 29 augustus 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Op 2 maart 2011 is appellant in het kader van een politie-aktie aangehouden en geverbaliseerd als illegaal taxichauffeur (snorder). Op 17 maart 2011 is appellant vervolgens verhoord door de sociaal rechercheur [naam sociaal rechercheur], waarvan rapport is opgemaakt. Het college heeft hierin aanleiding gevonden bij besluit van 6 mei 2011 de bijstand van appellant over de maand maart 2011 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 873,71 van appellant terug te vorderen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant in maart 2011, zonder daarvan zelf melding te maken, werkzaamheden als snorder heeft verricht en daaruit oncontroleerbare inkomsten heeft genoten met als gevolg dat het recht op bijstand over die maand niet is vast te stellen. Bij besluit van 19 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 mei 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Uit een door de politie Amsterdam-Amstelland opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 2 maart 2011 blijkt dat appellant op 2 maart 2011 op zijn initiatief twee politie-agenten in burger in zijn auto heeft laten instappen, dat hij hen naar een door hen aangegeven plaats van bestemming heeft gebracht en dat hij hen na afloop van de rit om geld heeft gevraagd. In het gesprek met de sociaal rechercheur op 17 maart 2011 heeft appellant weliswaar ontkend dat hij op 2 maart 2011 als snorder heeft gewerkt, maar wel erkend dat hij twee jongens in zijn auto heeft vervoerd en na afloop om een “mazzeltje” heeft gevraagd. Een en ander levert voldoende feitelijke grondslag op voor de vaststelling dat appellant in maart 2011 als snorder werkzaam is geweest, aldus op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht, en daarvoor een beloning heeft bedongen. Aangezien appellant heeft volstaan met een blote ontkenning en ook nadien geen duidelijkheid heeft verschaft, heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden. In dit verband is mede van belang dat appellant ook in 2010 reeds op verdenking van snorderswerkzaamheden is aangehouden door de politie. Door geen registratie of administratie bij te houden heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij, in geval hij de inlichtingenverplichting wel naar behoren was nagekomen, over maart 2011 aanvullend recht op bijstand zou hebben gehad. Het enkele feit dat hij reeds op 2 maart 2011 is “betrapt” doet daaraan niet af omdat niet met objectieve en verifieerbare gegevens is onderbouwd hoeveel ritten hij op 1 en 2 maart 2011 heeft gemaakt en/of betaald heeft gekregen. Met het college en de rechtbank kan dan ook worden geoordeeld dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting (de omvang van) het recht op bijstand over die maand niet is vast te stellen. Het college was dan ook bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over maart 2011 in te trekken. De uitoefening van die bevoegdheid is niet bestreden. Tegen de terugvordering zijn geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd zodat deze verder buiten bespreking blijft.

4.2. Uit wat in 4.1 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2013.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) S.K. Dekker

HD