Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3537

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
11-4168 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Verlaging bijstand voor de duur van een maand met 30% wegens schending van de inlichtingenverplichting. Toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellante haar hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres, maar feitelijk verbleef op het adres van haar moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4168 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 juli 2011, 10/5728 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (college)

Datum uitspraak 18 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H. Samama, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2013. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 11/4167 WWB. Appellante, daartoe opgeroepen, is verschenen, bijgestaan door mr. Samama. Het college, daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door I.M. Groen. In de gevoegde zaak is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 5 juli 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande en vanaf 13 augustus 2009 naar de norm voor een alleenstaande ouder, verhoogd met een toeslag van 20% van het minimumloon. Appellante staat sinds 9 februari 2007 ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats]. Op

13 augustus 2009 is appellante bevallen van een dochter die op dit adres is bijgeschreven. De moeder van appellante [naam moeder] staat ingeschreven op het adres [adres 2] te [woonplaats]. [naam moeder] ontving ten tijde in geding bijstand naar de norm voor een alleenstaande, met een toeslag van 20%.

1.2. Het adres van appellante is in de periode van 30 januari 2009 tot en met 9 juni 2009 negen maal op verschillende tijdstippen bezocht, terwijl appellante niet thuis is aangetroffen. Naar aanleiding hiervan heeft de afdeling Bijzonder Onderzoek van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente ’s-Gravenhage (afdeling Bijzonder Onderzoek) een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat kader heeft dossieronderzoek plaatsgevonden en zijn gegevens met betrekking tot het water- en energieverbruik in de woning van appellante opgevraagd. Op 29 september 2009 heeft nogmaals een huisbezoek plaatsgevonden op het adres van appellante en heeft appellante een verklaring afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 6 oktober 2009.

1.3. Naar aanleiding van een onderzoek naar de woon- en leefsituatie van [naam moeder] hebben op het adres van [naam moeder] op 14 mei 2008, 29 juni 2009 en 27 oktober 2009 huisbezoeken plaatsgevonden. Tijdens de huisbezoeken van 14 mei 2008 en 29 juni 2009 was appellante in de woning van [naam moeder] aanwezig en heeft zij verklaringen afgelegd. De bevindingen van de huisbezoeken van 14 mei 2008 en 29 juni 2009 zijn neergelegd in rapportages van 15 mei 2008 en 30 juni 2009. De bevindingen van het huisbezoek op 27 oktober 2009 zijn neergelegd in een rapportage van 29 oktober 2009.

1.4. Op basis van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 20 april 2010 de bijstand van appellante over de periode van 5 februari 2007 tot en met 31 oktober 2009 (periode in geding) herzien en de als gevolg van deze herziening teveel gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.238,75,-- van haar teruggevorderd.

1.5. Bij besluit van 9 juni 2010 heeft het college de bijstand van appellante bij wijze van maatregel met ingang van 1 juli 2010 voor de duur van een maand met 30% verlaagd wegens schending van de inlichtingenverplichting.

1.6. Bij besluit van 27 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 20 april 2010 en 9 juni 2010 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college, samengevat, ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen juiste opgave te doen van haar woonadres. Zij was niet woonachtig op het door haar opgegeven adres, maar woonde in bij [naam moeder]. Om die reden had zij vanaf 5 februari 2007 recht op een toeslag van 10% en niet op een toeslag van 20%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij in de periode in geding - behoudens een periode tijdens haar zwangerschap - haar hoofdverblijf op haar uitkeringsadres had. De conclusie dat zij in de periode in geding feitelijk haar hoofdverblijf had op het adres van [naam moeder] kan niet getrokken worden louter op basis van de gegevens over het water- en energieverbruik in haar woning.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Gelet op wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, ligt voor de vraag of er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat appellante in de periode van 5 februari 2007 tot en met 31 oktober 2009 inwoonde op het adres van [naam moeder].

4.2. Het waterverbruik op het adres van appellante bedroeg in de periode van 3 februari 2007 tot 26 februari 2008 5 m3 en in de periode van 26 februari 2008 tot 16 februari 2009 6 m3. Een dergelijk verbruik is extreem laag. Ditzelfde geldt voor het gasverbruik en het elektriciteitsverbruik dat in de periode van 22 februari 2007 tot en met 10 oktober 2007

102 m3 respectievelijk 229 kWh bedroeg en in de periode van 11 oktober 2007 tot en met 20 oktober 2008 161 m3 respectievelijk 428 kWh. Het waterverbruik op het adres van [naam moeder] bedroeg in de periode van 17 januari 2006 tot 25 januari 2007 203 m3, in de periode van 25 januari 2007 tot 21 januari 2008 245 m3 en in de periode van 21 januari 2008 tot

6 januari 2009 217 m3. Een dergelijk verbruik is extreem hoog voor een eenpersoonshuishouden.

4.3. Tijdens het huisbezoek op 27 oktober 2009 in de woning van [naam moeder] hebben medewerkers van de afdeling Bijzonder Onderzoek - voor zover hier van belang - geconstateerd dat appellante in deze woning een volledig ingerichte (slaap)kamer in gebruik had. In die kamer was een grote hoeveelheid kleding van appellante aanwezig, lagen sieraden van appellante, diverse medicijnen van recente datum op naam van appellante, een map met administratie van appellante en make-up- en verzorgingsproducten van appellante en haar dochter.

4.4. De in 4.2 tot en met 4.3 genoemde onderzoeksgegevens in samenhang bezien met de verklaringen van appellante bieden een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellante gedurende de periode in geding niet haar hoofdverblijf had op het adres [adres 1], maar feitelijk verbleef op het adres van [naam moeder]. Appellante heeft op 29 september 2009 verklaard dat zij - behoudens een periode tijdens haar zwangerschap - haar hoofdverblijf had op dat adres. Gezien het extreem lage verbruik van water en gas vanaf februari 2006 is het echter niet aannemelijk dat zij op dit adres haar hoofdverblijf had en daar, zoals zij op 12 oktober 2009 heeft verklaard, drie á vier dagen per week sliep, douchte en gebruik maakte van het toilet. Dat appellante ook buiten de periode van haar zwangerschap feitelijk verbleef op het adres van [naam moeder] komt overeen met de bevindingen van de op 14 mei 2008, 29 juni 2009 en 27 oktober 2009 afgelegde huisbezoeken op het adres van [naam moeder], waarbij telkens is geconstateerd dat appellante op dat adres een volledige ingerichte (slaap)kamer in gebruik had, en vindt tevens steun in de verklaring van appellante tijdens het huisbezoek van 14 mei 2008 dat zij drie á vier dagen per week bij haar moeder verbleef. Tot slot heeft appellante geen concrete adressen genoemd waar zij feitelijk verblijf hield als zij niet in haar woning of in de woning van [naam moeder] verbleef.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en W.F. Claessens en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2013.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) T.A. Meijering

HD