Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3533

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
12-1526 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Appellante heeft geen melding gemaakt van inkomsten uit werkzaamheden in de prostitutie met als gevolg dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat appellante werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft verworven. Schending van de inlichtingenverplichting. Appellante heeft niet aan de hand van een administratie of anderszins aannemelijk gemaakt in welke omvang de werkzaamheden zijn verricht en wat daarmee is verdiend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1526 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 maart 2012, 11/3793 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)

Datum uitspraak 18 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.T.C. Rebergen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2013. Voor appellant is verschenen mr. Rebergen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.S.D. de Gama.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving over de periode van 5 april 2006 tot en met 30 september 2006 en vanaf 4 maart 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellante elke zondag in Nijmegen als prostituee werkzaam is, heeft de afdeling handhaving van de gemeente Arnhem een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, zijn waarnemingen verricht en is appellante opgeroepen voor een gesprek. Tijdens het gesprek op 14 maart 2011 heeft appellante verklaard dat zij sinds een jaar elke zondag in Nijmegen op de Nieuwe Markt werkt, dat dit varieert van twee tot drie tot vier zondagen in de maand van 19.00 uur tot soms 04.00 uur in de ochtend, dat een kennis haar brengt en haalt en dat zij hem daar € 20,-- voor betaalt. Verder heeft zij verklaard dat zij sinds 2004 in de prostitutie werkt. Zij is voor het eerst gaan werken in Arnhem in het Spijkerkwartier en werkte toen zeven dagen per week. Dat was in 2003. In 2004 is zij naar Nijmegen gegaan om daar te werken. Zij is ook wel eens gestopt met werken voor vier tot vijf maanden toen zij in Nijmegen werkte, maar het jaar weet zij niet precies meer. Per avond heeft zij minimaal € 100,-- tot maximaal € 300,-- verdiend, afhankelijk van het aantal klanten. Zij werkt nu op zondag omdat op zaterdag alle ramen vol zitten.

De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 18 maart 2011.

1.3. Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluiten van 23 maart 2011 en 31 maart 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 augustus 2011 (bestreden besluit), de bijstand van appellante met ingang van 4 maart 2010 ingetrokken, de bijstand over de periode van 5 april 2006 tot en met 30 september 2006 eveneens ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 5 april 2006 tot en met 30 september 2006 en over de periode van 4 maart 2010 tot en met 28 februari 2011 tot een bedrag van in totaal € 18.240,97 van haar teruggevorderd. Aan deze besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante geen melding heeft gemaakt van inkomsten uit werkzaamheden in de prostitutie met als gevolg dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die een uitzondering zouden rechtvaardigen op het uitgangspunt dat in beginsel van de juistheid van een tegenover een ambtenaar van de Sociale Dienst afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan. Appellante bestrijdt voorts het oordeel van de rechtbank dat haar verklaring een bevestiging vindt in de overige onderzoeksresultaten. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat het college slechts de bijstand over de periode vanaf de waarnemingen had mogen terugvorderen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het college heeft de intrekking vanaf 4 maart 2010 niet in tijd beperkt. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 4 maart 2010 tot en met 23 maart 2011, de datum van het intrekkingsbesluit, en daarnaast de periode van 5 april 2006 tot en met 30 september 2006.

4.2. Het betoog van appellante dat het college en de rechtbank niet hebben mogen uitgaan van de juistheid van de door haar in het gesprek op 14 maart 2011 afgelegde en ondertekende verklaring, slaagt niet. Appellante heeft aangevoerd dat zij de Nederlandse taal slechts zeer beperkt beheerst en dat haar daarom niet kan worden tegengeworpen dat zij bij aanvang van het gehoor niet heeft verzocht om bijstand van een tolk en dat zij haar verklaring heeft ondertekend. De in de rapportage van 18 maart 2011 opgenomen weergave van haar verklaring biedt echter geen steun voor de stelling van appellante dat zij, gelet op het niveau waarop zij de Nederlandse taal beheerst, de strekking van het gehoor en de mogelijke gevolgen ervan niet heeft kunnen begrijpen. De beperkte beheersing van de Nederlandse taal heeft er bij appellante niet aan in de weg gestaan om in details over haar werkzaamheden en inkomsten te verklaren. Dat appellante voor en na de haar geboden bedenktijd verschillende verklaringen heeft afgelegd, maakt dat niet anders. De verklaring na de bedenktijd is immers tot stand gekomen nadat appellante was geconfronteerd met de onderzoeksbevindingen. Appellante heeft weliswaar gesteld dat, gelet op die verschillende verklaringen, mogelijk zelfs sprake is geweest van op haar uitgeoefende druk, maar er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat tijdens het gehoor een grotere druk is uitgeoefend dan tijdens een dergelijk gesprek als gebruikelijk en nog aanvaardbaar is te beschouwen.

4.3. Het betoog van appellante dat haar verklaringen geen bevestiging vinden in de overige onderzoeksbevindingen, slaagt evenmin. Bij drie waarnemingen op drie opeenvolgende zondagen, op 27 februari 2011 en op 6 en 13 maart 2011, is gezien dat appellante thuis werd opgehaald, werd afgezet in Nijmegen en vervolgens [adres 1] te Nijmegen binnenging. Dat pand staat bekend als prostitutiepand. De beheerder van het pand heeft op 25 mei 2011 appellante op de getoonde foto herkend als de haar bekende [naam appellante]. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante deze naam als roepnaam gebruikt. Voorts komen de verklaringen van appellante overeen met wat vanaf 2004 via [naam website] terug te vinden is over een Turkse vrouw van om en de nabij 30 jaar met de naam [naam appellante], waaronder het verrichte werk in het Spijkerkwartier en op de [adres 1]. Dat registratie van de werkzaamheden van appellante vanwege een computercrash bij de eigenares van het pand [adres 1], waar de prostitutie legaal is, ontbreekt, doet hieraan niet af.

4.4. Appellante heeft er nog op gewezen dat de strafrechter haar enkel heeft veroordeeld voor de periode van de waarnemingen, te weten de periode van 27 februari 2011 tot en met 13 maart 2011. De bestuursrechter is echter in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan wat in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

4.5. Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellante in de hier te beoordelen perioden werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft verworven. Door daarvan geen melding te maken heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.6. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. Appellante heeft enkel ontkend dat zij ten tijde in geding op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft verkregen. Zij heeft dus niet aan de hand van een administratie of anderszins aannemelijk gemaakt in welke omvang de werkzaamheden zijn verricht en wat daarmee is verdiend. Gelet daarop kan niet worden vastgesteld of, en in welke mate, zij in de te beoordelen perioden in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Het college was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over deze perioden in te trekken. De wijze van gebruikmaking van deze bevoegdheid is in hoger beroep niet bestreden.

4.7. Uit het voorgaande vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het college bevoegd was tot terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand. Nu appellante zelf heeft verklaard dat zij al sinds 2004 in de prostitutie werkt, kan zij niet worden gevolg in haar betoog dat het college de terugvordering had moeten beperken tot de periode van de waarnemingen.

4.8. Uit 4.3 tot en met 4.7 vloeit voort dat de hoger beroepsgronden geen doel treffen. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2013.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) T.A. Meijering

HD