Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3532

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
12-2320 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek. De informatie van de politie is schriftelijk en voldoende gedetailleerd. Deze informatie kan niet op één lijn gesteld worden met een anonieme tip. Op grond van de informatie van de politie en de waarnemingen kon het college redelijkerwijs twijfelen aan de juistheid of de volledigheid van de opgave van appellante over haar woonsituatie in de te beoordelen periode. Appellante heeft haar medewerkingsverplichting geschonden door voortzetting van het huisbezoek te weigeren, waardoor haar recht op bijstand niet was vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2320 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 6 maart 2012, 11/959 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak: 18 juni 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.T. Huisman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2013. Voor appellante is mr. Huisman verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Jalving.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 23 juli 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20% omdat zij de noodzakelijke kosten van het bestaan niet met een ander kon delen.

1.2. Naar aanleiding van informatie van de politie van 17 november 2010, inhoudende dat [naam partner] tegenover de politie heeft verklaard dat hij al anderhalf jaar een relatie met appellante heeft en bij haar inwoont, heeft de Dienst Sociale Zaken en Werk van de gemeente Groningen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In april 2011 zijn drie waarnemingen verricht in de buurt van de woning van appellante, waarbij de auto van [naam partner] telkens werd aangetroffen. Voorts is eveneens in april 2011 een waarneming verricht in de buurt van het adres waar [naam partner] in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens stond ingeschreven. Hierbij is zijn auto niet aangetroffen en op de woning was een uithangbord van [naam kamerbemiddeling] kamerbemiddeling zichtbaar.

1.3. Op 21 april 2011 heeft op het adres van appellante een onaangekondigd huisbezoek plaatsgevonden. Uit het verslag van dat huisbezoek, opgenomen in een rapport van 28 april 2011, komt het volgende naar voren. De twee fraudecontroleurs hebben appellante meegedeeld dat twijfels bestaan over haar woonsituatie en hebben haar om toestemming voor het huisbezoek verzocht. Daarbij is meegedeeld dat appellante niet verplicht is om mee te werken aan het huisbezoek maar dat de bijstand kan worden beëindigd als ze zou weigeren. Appellante heeft toestemming verleend en de fraudecontroleurs door het huis rondgeleid. In de woonkamer hebben de fraudecontroleurs een herenhorloge, een bril en post op naam van [naam partner] aangetroffen. In een slaapkamer bevond zich de nodige herenkleding, die volgens appellante van [naam partner] was. In een andere slaapkamer hebben de fraudecontroleurs eveneens herenkleding aangetroffen, en verder vier vishengels en ski’s. Appellante heeft vanaf dat moment vragen onbeantwoord gelaten en geweigerd verdere medewerking te verlenen aan het huisbezoek. Appellante is gewezen op de consequenties hiervan, te weten dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld omdat er teveel vragen zijn, maar zij heeft volhard in haar weigering. Daarop hebben de fraudecontroleurs het huis verlaten.

1.4. Bij besluit van 11 mei 2011 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 21 april 2011 ingetrokken. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellante niet volledig en/of correct heeft voldaan aan de op grond van artikel 17 van de WWB bestaande verplichting tot het verstrekken van inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het recht op uitkering, of voortzetting of de hoogte daarvan. Hierdoor is het recht op bijstand niet vast te stellen.

1.5. In bezwaar heeft het college appellante (en haar gemachtigde) uitgenodigd voor een gesprek op 28 juni 2011 om alsnog de vragen te stellen die door het voortijdig afgebroken huisbezoek niet meer aan de orde konden komen. Appellante zelf is toen niet verschenen, wel haar gemachtigde maar die kon de vragen niet beantwoorden. Het college heeft vervolgens bij besluit van 29 juli 2011 (bestreden besluit) de bezwaren tegen het besluit van 11 mei 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat het besluit tot intrekking van bijstand een voor belanghebbende belastend besluit is, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat het in beginsel aan het college is om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking van bijstand is voldaan.

4.2. De door de bestuursrechter te beoordelen periode bestrijkt de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, 21 april 2011, tot en met de datum van het primaire besluit, 11 mei 2011 (te beoordelen periode).

4.3. Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

4.4. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 4 augustus 2009, LJN BJ5146) vormt het samenstel van de artikelen 17, eerste en tweede lid, en 53a, tweede lid, van de WWB voor het bijstandverlenend orgaan een toereikende wettelijke grondslag voor het afleggen van een huisbezoek als middel ter controle en verificatie van door de betrokkene verstrekte of op andere wijze bekend geworden gegevens.

4.5. Naar vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 11 april 2007, LJN BA2410) kunnen aan het niet of niet langer meewerken aan een huisbezoek pas gevolgen worden verbonden in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand, indien voor dat huisbezoek, of de voortzetting daarvan, in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is sprake, indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door de belanghebbende omtrent zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand of de omvang daarvan, en deze gegevens niet op een voor belanghebbende minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.

4.6. Appellante heeft aangevoerd dat voor het afleggen van een huisbezoek geen redelijke grond bestond en dat dit disproportioneel was. Dat de politie het college zou hebben getipt over vermoedelijke samenwoning is niet met stukken onderbouwd.

4.7. Gelet op de onder 1.2 vermelde verklaring van [naam partner] en de waarnemingen bestond er een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek. De informatie van de politie, zoals vermeld onder 1.2 en die deel uitmaakt van de gedingstukken, is schriftelijk en voldoende gedetailleerd. De bron daarvan is bekend. Om die reden valt deze informatie niet op één lijn te stellen met een anonieme tip. Op grond van de informatie van de politie en de waarnemingen kon het college redelijkerwijs twijfelen aan de juistheid of de volledigheid van de opgave van appellante over haar woonsituatie in de te beoordelen periode. Die informatie kon het college niet op een andere effectieve en voor appellante minder ingrijpende wijze dan door een onaangekondigd huisbezoek verifiëren. De onder 4.6 vermelde beroepsgrond slaagt daarom niet.

4.8. Volgens appellante heeft zij wel medewerking verleend aan het huisbezoek. Dat appellante na een emotionele woordenwisseling met de fraudecontroleurs haar medewerking heeft beëindigd, mag niet tot een andere conclusie leiden.

4.9. Uit het onder 1.3 vermelde verslag van het huisbezoek komt naar voren dat appellante geïrriteerd is geraakt door de vragen die haar gesteld werden over de aangetroffen herenkleding en de vishengels. Zij heeft vervolgens haar medewerking aan het huisbezoek beëindigd. Als gevolg hiervan zijn vragen onbeantwoord gebleven en is een gedeelte van de woning, waaronder de badkamer, niet meer bekeken. Gelet op de bevindingen tijdens het huisbezoek tot dat moment, bestonden indicaties dat [naam partner] mogelijk bij appellante inwoonde. Onder die omstandigheden was appellante gehouden haar medewerking aan het met een redelijke grond aangevangen huisbezoek voort te zetten. Appellante is door de fraudecontroleurs uitdrukkelijk voorgehouden wat de consequenties waren van haar weigering om verdere medewerking te verlenen aan het huisbezoek. Gesteld noch gebleken is dat appellante op dat moment in een zodanige geestestoestand verkeerde dat ze de gevolgen van de weigering niet heeft begrepen of dat zij de consequenties daarvan niet heeft kunnen overzien. Ook de onder 4.8 vermelde beroepsgrond slaagt daarom niet.

4.10. Het betoog van appellante dat zij niet samenwoonde en dat het college haar per 19 juli 2011 weer bijstand heeft verleend, slaagt evenmin. Aan de intrekking van de bijstand heeft het college immers niet ten grondslag gelegd dat zij samenwoonde, maar dat zij onvoldoende heeft meegewerkt aan het huisbezoek waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Aan de omstandigheid dat het college haar met ingang van 19 juli 2011 weer bijstand heeft toegekend kan niet de conclusie worden verbonden dat het college de bijstand ten onrechte heeft ingetrokken, reeds omdat het een andere te beoordelen periode betreft.

4.11. Uit het vorenstaande volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante haar medewerkingsverplichting heeft geschonden door voortzetting van het huisbezoek te weigeren, waardoor haar recht op bijstand niet was vast te stellen.

4.12. Uit 4.1 tot en met 4.10 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en A.M. Overbeeke en J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2013.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte.

(getekend) V.C. Hartkamp.

RH